Geveld door de Romeinen?

Commentaren

Transcriptie

Geveld door de Romeinen?
A
ARCHEOLOGIE
R.M. VISSER
AANWIJZINGEN
VO O R
BOSBOUW
IN DE
ROMEINSE
TIJD
Geveld door
de Romeinen?
In de Nederlandse bodem worden veelvuldig organische materialen
gevonden. Hierdoor neemt de Nederlandse archeologie een unieke plaats in
ten opzichte van de omliggende landen, vooral wat betreft kennis over gebruik
van bijvoorbeeld hout of leer. Hout vormt sinds mensheugenis een van de
belangrijkste grondstoffen. In de Romeinse tijd was dit niet anders.
Er is echter weinig bekend over de omgang met bossen in deze periode.
Dit artikel wil hieraan een bijdrage leveren. Een aantal moderne
bosbouwsystemen dienen hierbij als leidraad. Archeologische, historische
en dendrochronologische gegevens worden hierbij gebruikt als
aanwijzingen voor gebruik van deze systemen in de Romeinse tijd.
ankzij de vele vondsten van
organisch materiaal neemt de
Nederlandse archeologie een
bijzondere plaats in ten
opzichte van andere Europese
landen. De hoge grondwaterstand in grote
delen van Nederland zorgt ervoor dat organische stoffen zoals hout en leer zeer goed
bewaard blijven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de oudste boot ter wereld in
Nederland gevonden is.1 Schepen uit de
Romeinse tijd zijn ook veelvuldig aangetroffen in onze contreien: in 2003 bijvoorbeeld
maar liefst drie platbodems! Het recente
onderzoek aan deze schepen heeft tot vele
nieuwe inzichten geleid. De platbodems
D
bleken platbodems bleken niet, zoals voorheen werd aangenomen, in Duitsland
gebouwd te worden, de Rijn afgevaren en in
Nederland als bouwhout gebruikt. Nee, deze
schepen werden waarschijnlijk tientallen
jaren gebruikt, voeren zowel stroomop- als
stroomafwaarts en werden mogelijk op
Nederlandse bodem gebouwd. Dit laatste
blijkt onder andere uit het gebruik van zowel
hout uit Nederland als uit het Saar-Moezel
gebied voor de bouw van platbodems.2
We kennen natuurlijk niet alleen houten
schepen uit de Romeinse tijd. Er zijn ook
vele bouwwerken opgegraven waarvan op
zijn minst de fundering van hout was
46
OP DE HELLINGEN LANGS DE
1 KAALSLAG
MARLBOROUGH SOUNDS IN NIEUW ZEELAND
FOTO: R.M. VISSER
gemaakt. De afgelopen decennia zijn diverse
legerkampen, wachttorens, bruggen en huizen
opgegraven. Het Nederlandse bodemarchief
is dus een rijke bron voor kennis over vroeger
houtgebruik.
De vele houtvondsten benadrukken het
belang van hout als grondstof. Een groot
voordeel van het gebruik van hout als grondstof is het hernieuwbare karakter ervan. Hout
is niet alleen belangrijk als bouwmateriaal 3,
maar dient ook als brandstof. Zo verbruikten
de Barbara thermen in Trier ongeveer 40.000
ton brandhout per jaar 4 en het dagelijks
verbruik van de baden van Caracalla in Rome
wordt geschat op tien ton.5
De winning van hout als grondstof in de
Romeinse tijd is weinig onderzocht en over
de organisatie van de Romeinse bosbouw is
erg weinig bekend. Om hier toch vat op te
krijgen kunnen moderne bosbouwsystemen
als leidraad dienen. Het projecteren van
moderne bosbouwsystemen op de Romeinse
tijd is weliswaar anachronistisch, maar het
VITRUVIUS
NUMMER 4
JULI 2008
levert wel een kader op om meer grip te krijgen
op de omgang van Romeinen met bossen. In
dit artikel zal ik dieper ingaan op een aantal
moderne bosbouwsystemen, namelijk: kaalslag, het selectiesysteem, het hakhoutsysteem
en agrarische bosbouw. Na een beschrijving
van de systemen zelf, zal ik daarna dieper
ingaan op diverse aanwijzingen voor toepassing ervan in de Romeinse tijd. Ik beperk mij
geografisch niet tot het gebied van de
Nedergermaanse limes, ook andere gebieden
van het Romeinse rijk zullen worden aangehaald. De in dit artikel genoemde voorbeelden of aanwijzingen voor Romeinse
bosbouw hebben voornamelijk betrekking
op de late Republiek en de keizertijd.
Alvorens dieper in te gaan op de diverse
moderne systemen en hun mogelijke toepassing in de Romeinse tijd, is het van belang
stil te staan bij bosbouwsystemen in het algemeen. Bij een bosbouwsysteem zijn volgens
de Engelse hoogleraar bosbouw Matthews
drie punten van belang. Allereerst is dit de
manier waarop de regeneratie (groei) van
individuele bomen in het bos plaatsvindt.
Daarnaast is de geproduceerde houtsoort van
belang. Tenslotte speelt ook de ordelijke
plaatsing van de bomen in het bos een grote
rol. Specifieke ideeën over bosbouw en
beschermende maatregelen dienen er toe de
oogst of productie efficiënter te maken.6
Matthews onderscheidt op basis van deze
gedachten diverse bosbouwsystemen. Sommige van deze systemen zijn gebaseerd op
moderne biologische kennis en kunnen daarom niet in de Romeinse tijd toegepast zijn.7
De hierna beschreven moderne systemen
zijn niet per definitie statisch; een systeem
kan immers veranderen in een ander systeem. In de moderne bosbouw heeft deze
conversie meestal het verhogen van de
opbrengst tot doel. Er kunnen verschillende
redenen genoemd worden voor een bewuste
conversie. Zo kan bijvoorbeeld een verschuiving plaatsvinden in de vraag naar bepaalde
houtsoorten. Daarnaast kunnen ook onjuist
onderhoud, een nieuwe eigenaar van het bos
of een ernstige brand leiden tot conversie.
De manier waarop een conversie wordt
uitgevoerd, verschilt uiteraard per locatie en
per bostype.8 Dit hoeft uiteraard niet altijd
een bewuste keuze te zijn; onjuist onderhoud
kan immers tot onbedoelde conversie leiden.
Ook in de Romeinse tijd kwam dit ongetwijfeld voor.
Kaalslag
Het eerste moderne systeem dat Matthews
onderscheidt, is het kaalslag-systeem. Hier-
2
DE GROEP NLMILROM EN DE HERKOMST VAN DE DIVERSE MONSTERS. ENKELE MONSTERS
ZIJN AFKOMSTIG VAN EEN NIET MILITAIRE SITE, ZOALS DE TEMPEL VAN ELST.
DEZE TEMPEL IS ECHTER ZEER WAARSCHIJNLIJK GEBOUWD DOOR SOLDATEN OF OP
ZIJN MINST MET MILITAIRE HULP (ZIE OOK VISSER 2006, 89-91)
bij worden grote stukken bos volledig kaal
gekapt (zie figuur 1). Na de kaalslag kan het
bos aan zijn lot overgelaten worden om zelf te
regenereren of er worden nieuwe zaailingen
geplant. De meest rendabele vorm van dit
systeem kent een jaarlijkse kap van een
gedeelte van een bos. Er zijn echter verschillende natuurlijke omstandigheden – zoals
neerslag of helling – die een jaarlijkse kap
bemoeilijken. In de 18e eeuw werd deze jaarlijkse kap, als afgeleide van het hakhoutsysteem (zie verderop), veelvuldig toegepast
in de naaldhoutbossen in Duitsland. Het
bleek dat deze bossen minder regelmatig
groeiden dan verwacht. Daarom werd sinds
het begin van de 19e eeuw een minder
frequente kapcyclus toegepast. De regeneratie van dennenbossen kan worden bespoedigd door na kaalslag losse takken met
dennenappels te laten liggen. Daarnaast
kunnen diverse maatregelen worden genomen
om de jonge bomen te beschermen. Door
bomen aan de buitenzijde te laten staan,
wordt de jonge aanplant beschermd tegen
wind. Daarnaast kunnen planten die licht en
voeding van de zaailingen wegnemen,
worden verwijderd.9
Toepassing van dit systeem in de Romeinse
tijd lijkt voor de hand te liggen. Een legioen
op veroveringstocht heeft uiteraard hout
nodig voor bijvoorbeeld de bouw van kam-
47
pen of als brandstof. Bij de kap van bomen
zullen de troepen weinig rekening houden
met regeneratie van bossen. De antieke
auteur Appianus beschrijft dat tijdens de
veldtochten tegen Carthago vele houthakkers
op pad werden gestuurd om het hout te leveren dat de Romeinse legioenen nodig hadden.10 Een volledige kaalkap ligt hier voor de
hand. Ceasar beschrijft bovendien dat tijdens
de burgeroorlogen alle bomen in het gebied
van Massilia gekapt waren om belegeringswerktuigen te vervaardigen.11 In de oudheid
werden echter ook bossen in vijandelijk
gebied als vergelding volledig kaalgekapt.12
De kaalslag als gevolg van oorlogshandelingen poogde men soms ongedaan te maken;
Philippus V van Macedonië werd in 198 v.
Chr. door de Romeinen gedwongen een door
hem gekapt bos opnieuw te beplanten.13
Naast deze literaire aanwijzingen voor het
kaalslagsysteem lijken ook de dendrochronologische gegevens uit Nederland hierop te
duiden. Ik heb in eerder onderzoek door
middel van clustering van dendrochronologische gegevens diverse groepen eikenhout
samengesteld, waarvan de jaarringpatronen
sterk op elkaar lijken. Het is waarschijnlijk
dat deze bomen eenzelfde groeiplaats kenden.
Eén groep bestaat uit metingen afkomstig
van hout uit voornamelijk militaire contexten (zie figuur 2).14 Alle metingen dateren tot
99 na Chr, een jaar dat in verband gebracht
A
VITRUVIUS
NUMMER 4
3 HET RELIËF VAN WALDFISCHBACH MET EEN SALTUARIUS EN ZIJN VROUW
NAAR: SPRATER 1929, 64
EN RECHTS DE INSCRIPTIE
wordt met intensieve bouwactiviteiten langs
de limes vanwege het bezoek van keizer
Trajanus aan de regio.15 Het is aannemelijk
dat er in dit geval sprake was van totale kaalkap. Er is namelijk geen hout bekend dat
afkomstig is uit de betreffende groep die
dateert van na 99 na Chr. Er kan dus geconcludeerd worden dat het bos in kwestie niet
meer bestaat, waarbij aangenomen moet
worden dat ook andere boomsoorten dan eik
in dit bos gekapt zijn. Anders zou er namelijk
sprake zijn van een selectiesysteem. De grote
hoeveelheid hout die nodig was voor de
genoemde bouwactiviteiten in het jaar 99
maakt het echter aannemelijk dat men zich
weinig selectie kon veroorloven.
Selectiesysteem
Het selectiesysteem wordt tegenwoordig
regelmatig toegepast. In een (gemengd) bos
wordt een selectie gemaakt van één of meerdere bomen die gekapt moeten worden. In
het ideale geval resulteert dit in een bos
waarin bomen van dezelfde leeftijd geografisch zeer verspreid staan. In de praktijk
staan er echter vaak kleine groepjes bomen
van dezelfde leeftijd bij elkaar. Een dergelijk
selectiebos moet constant onderhouden
worden. In de meest simpele vorm van dit
systeem worden bomen met eenzelfde dikte
op een bepaald moment gekapt. Hiervoor is
weinig bosbouwkundig inzicht nodig.
Volgens Matthews is pas sprake van een echt
systeem wanneer: (a) rekening gehouden
wordt met de verschillende soorten die in het
bos groeien, (b) ruimte vrij gemaakt wordt
voor zaailingen en (c) slecht bruikbare
bomen verwijderd worden, wanneer deze de
groei van andere bomen hinderen. In het
NAAR: ROLLER 1986, ABB 2
ideale selectiesysteem start men met het
kappen van dode en stervende bomen.
Vervolgens gebeurt dit met zieke of misvormde bomen en ten slotte worden bomen
met een juiste lengte of dikte geveld. De
cyclus waarin gekapt wordt in een selectiebos
duurt in Europa meestal vijf tot tien jaar.
Voordelen van dit systeem zijn de continue
begroeiing van het bos en de goede bescherming van bodem en zaailingen tegen invloeden van bijvoorbeeld regen en wind.16
Er bestaan diverse aanwijzingen die duiden
op gebruik van het selectiesysteem in de
Romeinse tijd. Als eerste kunnen de zogenaamde saltuarii worden genoemd. Deze
beheerders van grote domeinen (salti)17 hadden een functie die het midden houdt tussen
die van een politieagent en een boswachter.18
Het waren dikwijls slaven of vrijgelatenen,19
die werden geleid door een villicus.20 Er zijn
over het gehele Romeinse Rijk verspreid
inscripties gevonden van saltuarii.21 Op de
Heidelsburg bij Waldfischbach in Duitsland
heeft men een grafsteen gevonden waarop de
saltuarius Titus Publicus Tertius met zijn
vrouw staat afgebeeld (figuur 3). De bijl die de
saltuarius draagt, typeert de Duitse archeoloog Roller als securis.22 Een dergelijke bijl is
ook gevonden bij archeologisch onderzoek
op de Heidelsburg (zie figuur 4).23 Volgens
Roller is de functie van deze bijl te vergelijken
met de functie van de zogenaamde Loogaxt.
Dit type bijl werd vanaf de Frankische tijd
tot in de 18e eeuw gebruikt om bomen, die
gekapt dienen te worden, te markeren.24 Dit
markeren wordt in het Nederlands blessen
genoemd. Naast een praktische functie gaf
het bezit van een dergelijke bijl status aan de
48
JULI 2008
drager. Het is aannemelijk dat dit ook voor
de Romeinse saltuarii geldt.25 De beschreven
functie van de secures en de saltuarii lijkt er
op te wijzen dat bomen werden geselecteerd ten
behoeve van kap.
Niet alleen de antieke literaire bronnen en
inscripties geven aanwijzingen voor het
gebruik van een selectiesysteem, maar ook
dendrochronologische gegevens uit Gallië
lijken erop te duiden dat in Rouen een
selectiesysteem gecombineerd werd met het
hakhoutsysteem (zie volgende paragraaf).26
Bernard baseert zich echter op een selectie in
gebruik van hout,27 waarbij uiteraard niet
altijd sprake hoeft te zijn van selectie bij kap
en groei. Palynologische gegevens uit
Frankrijk en het zuiden van Duitsland tonen
aan dat gedurende de Romeinse tijd vooral
zilverspar (Abies alba) werd gekapt.28 Er was
dus sprake van selectie van specifieke boomsoorten.
In dit kader zijn ook de dendrochronologische gegevens uit Cuijk en Gennep opvallend. Hieruit blijkt namelijk dat er voor de
bouw van de laat-Romeinse brug bij Cuijk
gebruik is gemaakt van eikenhout uit hetzelfde
bos als voor de waterputten van de inheemsRomeinse nederzetting te Gennep. In het
betreffende bos werd een gedeelte van de
eiken gekapt voor de bouw van de brug. Aan
de jaarringpatronen is te zien dat de bomen
die bleven staan meer ruimte en licht kregen
en dus sneller konden groeien. Deze laatste
eiken zijn later gebruikt voor de bouw van
waterputten in Gennep.29 Het lijkt er dus op
dat de Romeinse bruggenbouwers specifieke
bomen voor de bouw selecteerden en andere
lieten staan. Mogelijk lieten zij zich leiden
door de grootte of de vorm van bomen.
4
DE BIJ WALDFISCHBACH
GEVONDEN SECURIS
NAAR: ROLLER 1986,
ABB. 4
VITRUVIUS
Hakhoutsysteem
Een ander veel voorkomend modern bosbouwsysteem is het gebruik van hakhout
(coppice). Hierbij maakt men gebruik van de
eigenschap van loofbomen om jonge uitlopers te vormen nadat een boom vlak aan de
grond gekapt is. De nieuwe uitlopers kunnen
vervolgens wederom gekapt worden. De
gemiddelde maximale leeftijd waarop de
boom gekapt dient te worden om deze uitlopers te krijgen, ligt rond de veertig jaar. Bij
kastanjebomen kan deze leeftijd echter
oplopen tot honderd jaar. De stobben worden
dicht bij de grond gekapt, omdat zij op deze
wijze de kans krijgen zelf nieuwe wortels te
vormen. De kap vindt in dit systeem plaats in
het voorjaar. Productie van hout op deze
wijze wordt meestal gedaan om brandhout,
palen of andere kleinere stukken hout te
verkrijgen. Bij welke grootte of dikte gekapt
wordt, is afhankelijk van de behoefte.30
Het gebruik van hakhout31 in de Romeinse
tijd kan op grond van zowel historische als
archeologische gegevens worden aangetoond.
De Romeinen hadden zelfs een term voor een
dergelijk bos, namelijk een silva caedua.32
Columella beschrijft het coppice system met
betrekking tot de kastanje, wanneer deze
volgens hem na vijf jaar wordt gekapt zal de
kastanje net als een wilg nieuwe uitlopers
NUMMER 4
JULI 2008
krijgen.33 Naast Columella vermeldt ook
Plinius het gebruik van hakhout; cypressen
zouden volgens Plinius met dit doel geplant
worden.35
Naast schriftelijke aanwijzingen voor gebruik
van hakhout zijn er ook archeologische aanwijzingen. In Engeland zijn in Romeinse
context diverse stukken hout gevonden die
mogelijk als hakhout zijn gewonnen.35
Daarnaast blijkt men in Noordwest Gallië
gebruik te maken van hakhout. Bernard concludeert namelijk op basis van archeologische en dendrochronologische gegevens dat
steden op het Picardische plateau vanaf eind
eerste eeuw een gebied van circa vijftig vierkante kilometer rondom de steden gebruikten voor de houtvoorziening. Hierbij werd op
afwisselende percelen hout verbouwd. De
hakhoutstoven werden ongeveer iedere veertig jaar gekapt. Dit leidde tot een standaardisatie van vorm en leeftijd van het hout, die
terug te vinden is in de dendrochronologische gegevens.36
Dichter bij huis kan eveneens het gebruik
5
ZOWEL HET HOUT DAT
GEBRUIKT WERD VOOR DE
BOUW VAN DE ROMEINSE
BRUG BIJ CUIJK ALS HET
HOUT WAARVAN DE
WATERPUTTEN IN GENNEP
GEBOUWD WERDEN, IS
AFKOMSTIG UIT
HETZELFDE BOS
RECONSTRUCTIES NAAR:
GOUDSWAARD, KROES EN VAN
DER BEEK 2002, PLATE 5 EN
HEIDINGA EN OFFENBERG
1992, 65
49
van hakhout in de Romeins tijd worden
vermoed. Bij de eerste eeuwse 37 wachttorens
LR-31 te Leidsche Rijn zijn pollenmonsters
genomen uit de omliggende greppel. Het pollenspectrum lijkt in de eerste instantie te
duiden op een open landschap met weinig
bomen rondom de toren.38 Het lage aantal
boompollen kan echter volgens de auteurs
van het rapport ook worden verklaard door
gebruik van hakhout. Als de kapcyclus korter
is dan de tijd die bomen nodig hebben om tot
bloei te komen, leidt dit tot een laag aantal
boompollen. Een extra argument voor het
gebruik van hakhout hier is het voorkomen
van adelaarsvaren in de pollendiagrammen.
Deze lichtminnende plant groeit zeer goed
op bosgrond in een pas gekapt bos.39
Agrarische bosbouw
Ten slotte dient als laatste een bijzonder
systeem genoemd te worden, namelijk de
combinatie van bosbouw met het agrarisch
bedrijf. Bosbouw kan bijvoorbeeld goed
gecombineerd worden met akkerbouw.
A
VITRUVIUS
Tussen de akkers worden bomenrijen of
houtwallen geplaatst en onderhouden. Deze
bomen beschermen niet alleen de akkers
tegen wind en andere weersinvloeden, maar
vormen tegelijkertijd de houtvoorraad voor
de akkerbouwers. Het is daarnaast mogelijk
bosbouw met veeteelt te combineren. Hierbij
graast het vee bijvoorbeeld in het bos en
verwijdert de ondergroei, terwijl de bomen
de dieren beschutting bieden tegen de zon en
regen. Daarnaast kunnen de uitwerpselen
van het vee de bodem bemesten.40
De combinatie van een agrarisch systeem
met bosbouw kwam in de Romeinse tijd
zeker voor. De Latijnse term voor een dergelijk bos is silva glandaria. Over het algemeen
wordt deze benaming gebruikt voor een
eikenbos (glans betekent eikel), maar het kan
volgens Meiggs ook gebruikt worden voor
beukenbossen. De eikels (of beukennootjes)
werden gebruikt om varkens te voeren. In
Gallia Cisalpina werd een silva glandaria als
een goede investering gezien; de vele varkens
in deze (eiken)bossen voorzagen een groot
deel van de Romeinse markt van vlees.41 Er
zijn ook andere aanwijzingen voor agrarische
bosbouw. Varro beschrijft bijvoorbeeld het
belang van iepen bij een wijngaard, omdat
deze bomen schaduw leveren, het loof als
veevoer kan dienen en tegelijkertijd kan het
hout gebruikt worden als brandstof of als
bouwmateriaal voor hekken.42
Conclusie
Uit het bovenstaande blijkt dat er diverse
aanwijzingen zijn voor de toepassing van
bosbouwsystemen in de Romeinse tijd. Het
is gebleken dat men zich in de Romeinse tijd
niet alleen van bewust was van de groeisnel-
NUMMER 4
JULI 2008
heid en regeneratie van (individuele) bomen,
maar ook van de verschillen tussen de diverse
boomsoorten. Daarnaast werd ook rekening
gehouden met de eigenschappen van de verschillende houtsoorten. In hoeverre men
zich in de Romeinse tijd bewust was van de
ordelijke plaatsing van bomen in het bos is
echter onbekend. Het efficiënter maken van
de productie lijkt niet altijd voorop te staan,
hoewel de opmerkingen van Varro en
Columella duiden op een bewuste omgang
met het te oogsten hout.
Welke systemen in de Romeinse tijd de voorkeur hadden is onduidelijk; was er in bepaalde
gebieden een voorkeur voor het selectiesysteem, kaalslag of bijvoorbeeld hakhout?
Dit moet uit verder onderzoek blijken. Wat
wel duidelijk naar voren komt, is dat men
zich ervan bewust was dat bossen en bomen
zich lieten beheren. De toepassing van systemen in de houtvoorziening laat zien dat de
mens in de Romeinse tijd systematisch met
de omgeving omging.
Ten slotte nog dit. Onderzoekers gaan er nog
wel eens van uit dat de Romeinen op hun
veroveringstochten in onze contreien alleen
maar natuurlijke bossen tegenkwamen. Uit
recent onderzoek is gebleken dat deze bossen
niet aaneengesloten zijn, maar dat er sprake
is van een redelijk open landschap rondom
nederzettingen.43 De bossen waren dus zeker
beïnvloed door de mens. Sinds het neolithicum worden al bomen gekapt voor de bouw
van nederzettingen of de aanleg van akkers.
Bosbouw wordt echter nauwelijks verondersteld. Als een mens graan kan verbouwen en
weiden kan onderhouden, waarom zouden er
dan reeds in de prehistorie geen bomen of
bossen worden onderhouden?
Ik wil graag Henk Baas, Dieuwertje Duijn,
Esther Jansma, Jaap Morel, Liesbeth
Theunissen, Margje Vermeulen-Bekkering en
Yardeni Vorst bedanken voor hun kritische
opmerkingen op eerdere versies van dit artikel.
Daarnaast gaat mijn dank ook uit naar
Nico Roymans voor de diverse discussies
die wij gevoerd hebben toen ik voor het eerst
met dit onderwerp in aanraking kwam.
R ONALD V ISSER is als promovendus
werkzaam bij de RACM .
6
HET WORDT VOLGENS DE AUTEURS VAN
HET RAPPORT OVER DE ROMEINSE WACHTTORENS VAN LR-31 IN LEIDSCHE RIJN BIJ
UTRECHT NIET UITGESLOTEN DAT RONDOM
DEZE WACHTTORENS HAKHOUTSTOVEN
AANWEZIG WAREN.
NAAR: VAN DER KAMP 2007, AFB. 8-2.
1
De kano van Pesse is middels 14C gedateerd op
6315 +/- 275 v. Chr. (Van Zeist 1957).
2 De Groot & Morel 2007; Jansma & Morel 2007;
Vorst 2005.
3 Voor de behoefte aan bouwhout voor het gebied
van de Nedergermaanse limes zie Visser 2007.
50
4
Ternes 1985.
Lendering 2003, 104
6 Matthews 1989, 3.
7 Zie Matthews 1989 voor het complete
overzicht van de diverse bosbouwsystemen.
8 Matthews 1989, 225. Voor de verschillende
manieren waarop de conversie plaats kan
vinden; zie Matthews 1989, 175-182; 226-239.
9 Matthews 1989, 65-66; 81.
10 Appianus, Punica 98.
11 Caesar, Bello Civico, 2, 15, 1 .
12 Nenninger 2001, 111 e.v.
13 Livius, 32.34.10. De tekst luidt: uno modo silvae
lucique caesi restitui possunt. Er wordt dus gesproken
over zowel bossen (silvae) als heilige wouden (luci).
14 De genoemde groep heb ik destijds NLMilRom
genoemd, zie Visser 2006, 89-91; 121-122.
15 Hessing 1999.
16 Matthews 1989, 163-169.
17 Sprater 1929, 62. De 2e eeuwse Romeinse
auteur Sextus Pompeius Festus vermeld in zijn
De verborum significatione dat een ‘saltus est ubi
silvae et pastiones sunt’ (saltus is waar bossen en
weiden zijn). Volgens Rubner (1964, 271) is een
saltus in onze contreien een bosgebied. De term
saltus wordt ook in de Merovingische en de
Karolingsche tijd soms nog gebruikt om koninklijke bossen aan te duiden (Sprater 1950, 424).
5
18 Sprater 1929; 1950. Rostowzew (1905) is van
mening dat de saltuarii slechts een rol als
grenswachter/politie kenden op private domeinen
en dat de keizerlijke domeinen door soldaten
bewaakt werden. Hij gaat daarbij geheel
voorbij aan hun rol als boswachter, terwijl een
dergelijke rol juist naar voren komt in de
diverse wijdingen van saltuarii aan Silvanus
(o.a CIL V 2383, CIL IX 3421).
19 Rostowzew 1905, 300.
20 Meiggs 1982, 330. Een villicus is de
beheerder van een Romeinse villa. Dit
betreft vaak een slaaf of een vrijgelatene
van de eigenaar van de villa.
21 Diverse inscripties worden vermeld in
Rostowzew (1905), daarnaast is onder meer bij
Weilerswist (nabij Euskirchen in Duitsland)
ook een inscriptie van een saltuarius
aangetroffen (Lehner 1928, 273 (nr. 40)).
22 Roller 1986, 61.
23 Sprater 1950, 425.
24 Roller 1986, 61-63.
25 Sprater 1950; Roller 1986, 61-63.
26 Bernard 2003, 79-80.
27 Er zijn veel gegevens die een selectief
gebruik weergeven, zoals bijvoorbeeld blijkt
uit het gebruik van specifieke stukken hout in
de Woerden 7 (Vorst 2005, 33-52) of de aanleg
van de Limes in 99/100 en 125 (Hessing 1999).
28 Küster 1994; Nakagawa/De Beaulieu/
Kitagawa 2000.
29 Mondelinge mededeling E. Jansma.
VITRUVIUS
30
Matthews 1989, 190-193; 213-224.
Volgens Meiggs is dit systeem het
enige systeem dat in de bronnen wordt
beschreven (Meiggs 1982, 270).
32 Meiggs 1982, 263.
33 Columella, R.R., IV, 34.
34 Plinius, N.H., 16,141-142.
35 Dark 2000, 122. Het argument dat Dark
aandraagt om te bewijzen dat er sprake was
van hakhout is het gelijke (en kleine) aantal
jaarringen die de voor staanders van vlechtwerk
gebruikte stukken hout hebben (o.a. els,
hazelaar en berk).
36 Bernard 2003.
37 De oudste toren is op grond van aardewerk
gedateerd in de jaren veertig van de eerste eeuw
na Chr. De jongst van de twee torens is dendrochronologisch gedateerd in het najaar/winter
van 61 en 62. Van der Kamp (2007, 172)
vermeldt abusievelijk dat het benodigde hout
ergens in het najaar van 61 of het voorjaar van
62 geveld werd. Uit het dendrochronologisch
onderzoek, uitgevoerd door Elsemieke Hanraets,
blijkt echter dat dit najaar/winter moet zijn
(Ringrapport 2003055).
31
38 Van der Kamp 2007, 164-165. Pollendiagrammen kunnen slechts een beeld geven voor
het landschap op een relatief korte afstand van de
monster locatie (zie o.a. Groenewoudt, et al. in
druk, 22-23; Sugita, Gaillard en Broström 1999).
39 Van der Kamp 2007, 164-165; 191. Bij eik
duurt het veertien tot zestien jaar voordat deze
weer tot bloei komt (Pott 1988, 156).
40 Matthews 1989, 240-243.
41 Meiggs 1982, 263. Ook Nenninger
(2001, 46-47) legt het verband met veeteelt en
de silvae glandariae.
42 Varro, R.R., XV.
43 Groenewoudt, et al. in druk.
Literatuur
Antieke bronnen
– Appianus, Punica (Roman History II),
ed. H. White (Loeb Classical Library 3).
– Columella, De Re Rustica, Libri I-IV,
ed. H.B. Ash, 1993, Cambridge/London
(Loeb Classical Library 361).
– Caesar, Bello Civico, ed. A.G. Peskett,
1996, Cambridge/London
(Loeb Classical Library 39).
– Titus Livius, Ab Urbe condita,
ed. E.T. Sage, 1935, Cambridge/London
(Loeb Classical Library 295).
– Plinius Maior, Naturalis Historia,
eds. J. Van Gelder, M. Nieuwenhuis &
T. Peters, 2004, Amsterdam.
– Varro, Rerum Rusticarum, eds.
H.B. Ash & W.D. Hooper, 1999,
NUMMER 4
JULI 2008
Cambridge/London,
(Loeb Classical Library 283).
Moderne literatuur
– Adam, J.P., 1999: Roman Building.
Materials and Techniques, London.
– Bernard, V., 2003: Stratégie d’
approvisionnement en bois en Gaulle du
nord-ouest (du Ier siècle après J.-C), Revue
archeologique de Picardie 2003 1/2, 77-86.
– Dark, P., 2000: The environment of Britain
in the first millenium A.D., London.
– Goudswaard, B., R.A.C. Kroes &
H.S.M. Van der Beek, 2001: The Late
Roman Bridge at Cuijk, Berichten van de
Rijksdienst voor het Oudheidkundig
Bodemonderzoek 44, Amersfoort, 439-560.
– Groenewoudt, B., H. van Haaster, R. van
Beek & O. Brinkkemper, in druk: Towards
a reverse image. Botanical research into the
landscape history of the eastern Netherlands,
Landscape History, 17-33.
– De Groot, T. & J.-M.A.W. Morel (red.),
2007: Het schip uit de Romeinse tijd De Meern
4 nabij boerderij de Balije, Leidsche Rijn,
gemeente Utrecht. Waardestellend onderzoek
naar de kwaliteit van het schip en het
conserverend vermogen van het bodemmilieu,
Amersfoort (Rapportage Archeologische
Monumentenzorg 147).
– Heidinga, H.A. & G.A.M. Offenberg,
1992: Op zoek naar de vijfde eeuw - de
Franken tussen Rijn en Maas, Amsterdam.
– Hessing, W.A.M., 1999: Building
Programmes for the Lower Rhine Limes.
The Impact of the Visits of Trajan and Hadrian
to the Lower Rhine, in: Sarfatij, H./W.J.H.
Verwers/P.J. Woltering, In Discussion with
the Past. Archaeological studies presented to
W.A. van Es, Amersfoort, 149-156.
– Jansma, E. & J.-M.A.W. Morel (red.),
2007: Een Romeinse Rijnaak, gevonden
in Utrecht-De Meern; resultaten van het
onderzoek naar de platbodem ‘De Meern 1’,
Amersfoort (Rapportage Archeologische
Monumentenzorg 144).
– Kamp, J.S. van der, 2007: Vroege Wacht.
Archeologisch onderzoek van twee eerste-eeuwse
wachttorens in Leidsche Rijn, Utrecht
(Basisrapportage Archeologie nr. 16).
– Küster, H., 1994: The economic use of
Abies wood as timber in central Europe
during Roman times, Vegetation History
and Archaeobotany 3, 25-32.
– Lehner, H., 1928: Bericht über die
Tätigkeit des Provinzialmuseums in Bonn
in der Zeit vom 1.4.1927 bis 31.3.1928,
Bonner Jahrbuch 133, 253-294.
– Lendering, J., 2003: Stad in marmer.
51
Gids voor het antieke Rome aan de hand
van tijdgenoten, Amsterdam.
– Matthews, J.D., 1989:
Silvicultural Systems, Oxford.
– Meiggs, R., 1982: Trees and timber in
the ancient Mediterranean world, Oxford.
– Nenninger, M., 2001: Die Römer und
der Wald. Untersuchungen zum Umgang mit
einem Naturraum am Beispiel der römischen
Nordwestprovinzen, Stuttgart (Geographica
Historica 16).
– Nakagawa, T./J. de Beaulieu/H. Kitagawa,
2000: Pollen-derived history of timber exploitation
from the Roman period onwards in the
Romanche valley, central French Alps,
Vegetation History and Archaeobotany 9, 85-89.
– Pott, R., 1988: Extensive anthropogene
Vegetationsveränderungen und deren pollenanalytischer Nachweis, Flora 180, 153-160.
– Roller, O., 1986: Zu den Axtdarstellungen
auf den Förstergrabsteinen von der Heidelsburg
bei Walfischbach, Mitteilungen des Historischen
Vereins der Pfalz 84, 59-72.
– Rostowzew, M., 1905: Die Domänenpolizei
dem römischen Kaiserreiche, Philologus 64,
297-307.
– Rubner, H., 1964: Vom römischen
Saltus zum fränkischen Forst,
Historisches Jahrbuch 83, 271-277.
– Sprater, F., 1929: Die Pfalz unter den
Römern, Speier am Rhein.
– Sprater, F., 1950: Deutschlands
Ältestes Forstamt, Forstwissenschaftliches
Zentralblatt 69, 421-426.
– Sugita, S. S., M.M. Gaillard & A.A.
Broström, 1999: Landscape openness
and pollen records: a simulation approach,
The Holocene 9, 409-421.
– Ternes, C.-M., 1985: Le bois dans la vie
quotidienne en Germanie à l'époque romaine,
Le bois dans la Gaule romaine et les provinces
voisines. actes du colloque 1985, Paris, 4-11.
– Visser, R.M., 2006: De Romeinse houtvoorziening in het gebied van de Nedergermaanse
Limes. Een historisch en dendrochronologisch
perspectief, Amsterdam (doctoraalscriptie
Vrije Universiteit Amsterdam).
– Visser, R. M., 2007: Behoefte aan bouwhout
in de Nederrijnse regio tijdens de Romeinse tijd,
in: Gehring, E., D. Habermehl, R. van ’t
Veer & I. Venderbos (eds.), Sojabundel 2006,
Amsterdam, 107-114.
– Vorst, Y, 2005: De constructie en herkomst
van de Romeinse platbodem ‘Woerden 7’.
Een studie van jaarringpatronen en bewerkingssporen, Amsterdam (doctoraalscriptie
Universiteit van Amsterdam).
– Zeist, W. van, 1957: De Mesolithische boot
van Pesse, Nieuwe Drentse Volksalmanak 75,
210(4)-219(11).

Vergelijkbare documenten