De lezing van Prof. Dr. Jaap Goedegebuure op 11 maart 2012 in de

Commentaren

Transcriptie

De lezing van Prof. Dr. Jaap Goedegebuure op 11 maart 2012 in de
De lezing van Prof. Dr. Jaap Goedegebuure op 11 maart 2012 in de Begijnenhofgesprekken in Eindhoven.
Het jaar-thema is: Alledaagse spiritualiteit
De titel van deze lezing is: Spritualiteit in de literatuur
Prof. Dr. Jaap Goedegebuure stuurde ons na de lezing deze tekst met de opmerking:
‘Een tekst die min of meer correspondeert met de lezing die ik vanochtend voor uw gehoor hield’
De secularisering van het autochtone deel van de Nederlandse samenleving, in de zin van een nog steeds toenemende
ontkerstening, is in statistisch-demografisch opzicht onmiskenbaar. Een zeer groot deel van de Nederlanders
antwoordt bij enquêtes dat ze niet behoren tot enig kerkgenootschap. Het is een ontwikkeling die onder meer zichtbaar
wordt in de leegstand en het bouwkundig verval van kerkgebouwen, die of worden gesloopt of de bestemming krijgen
van wooncomplex, meubelhal of ‘multifunctionele ruimte’.
In de Nederlandse literatuur – en daarover gaat het deze dagen – gaf de keuze van het boekenweekthema Mijn
God, anno 1997, aanleiding tot anti-religieuze schotschriften van Atte Jongstra, Gerrit Komrij, Rudy Kousbroek,
Michael Zeeman en anderen. In de tien jaar die volgden deden ook Paul Cliteur, Maarten ’t Hart, Herman Philipse en
Anne Provoost hun duit in het atheïstische zakje.
De vraag is dus of het immer trendgevoelige weekblad HP/de Tijd eigenlijk iets concreets te pakken had toen
het vorig jaar stelde dat God leeft, ook en misschien wel vooral in de letteren. God is misschien niet helemaal dood,
maar dat hij beantwoordt aan een duidelijk profiel kun valt moeilijk vol te houden, laat staan dat hij herkenbaar is. Het
zogenaamde `ietsisme’, dat wil zeggen het blijkens sociologisch onderzoek wijdverbreide idee dat ‘er toch iets moet
zijn’, ook al weet men in de verste verte niet wat, is daar mede debet aan. De halfhartigheid die de dichter en criticus
H. Marsman anno 1926 laakte in de tijdgeest (`Hij wil geen religie, hij wil slechts religiositeit; hij wil God niet zooals
hij is; hij wil hem, misschien, onder duizenderlei dubbelzinnig voorbehoud, aangepast aan de eigen zwakheid, aan het
eigen subtiel Clair-obscur, hij wil hem vaag, bedroefd, mistig, hij wil hem modern.’) is sindsdien alleen maar
toegenomen. God is, om op een anonieme middeleeuwer te variëren, een laaghangend wolkendek-van-niet-weten
waar honderdduizenden postchristenen met het grootste genoegen in ronddwalen. Een publicatie die twee jaar geleden
tot stand kwam onder auspiciën van het Sociaal Cultureel Planbureau vat het mooi samen: er is minder kerk, maar
meer geloof. De meeste kerken lopen leeg, maar er zijn ook kerkgenootschappen die tegen de verdrukking in groeien.
Er is een sterke aanwas van zogenaamde migrantenkerken, uit Ghana maar ook uit Polen. De islam neemt een relatief
steeds sterker positie in. Er zijn alternatieve levensbeschouwingen, zoals `de knuffelspiritualiteit van de New Age’. Er
zijn cross overs, bijvoorbeeld in de persoon van dichteres Maria van Daalen, een katholieke bekeerling die zich in
dezelfde periode dat ze werd gedoopt liet wijden tot voodoopriesteres. Opvallend veel jongeren zeggen op zoek te zijn
naar religieuze inspiratie. En zo verder.
Wat dan de recente Nederlandse literatuur betreft: het mag misschien zo zijn dat diverse schrijvers, Jan
Siebelink op kop, met slechts een banddikte voorsprong op Renate Dorrestein, zich er niet voor schamen dat zij het
geloof der vaderen niet helemaal los hebben kunnen laten; en het mag ook zo zijn dat enkele anderen, met Willem Jan
Otten en Désanne van Brederode als boegbeelden, zich hebben opgeworpen tot rooms apologeet, dat wil niet zeggen
dat de oude tijden geheel of nagenoeg geheel gereprodueerd worden. Wat vandaag de dag in de socio-politieke context
van het literaire veld allereerst ontbreekt is het honderd jaar geleden nog sterk aanwezige fenomeen van de verzuiling.
Anders dan in het geval van schrijvers en kunstenaars die zich in de eerste helft van de twintigste eeuw tot de
Moederkerk bekeerden (ik denk bijvoorbeeld aan Frederik van Eeden, Jan Toorop, Pieter van de Meer de Walcheren
en Otto van Rees) is er voor Otten en Van Brederode geen specifieke katholieke niche binnen het literaire veld
beschikbaar. Voor 1940 daarentegen konden er nog serieuze literaire tijdschriften worden gefundeerd op roomskatholieke en protestants-christelijke uitgangspunten. De Gemeenschap en – zij het in beduidend mindere mate –
Opwaartsche Wegen1 fungeerden als podia voor auteurs die, als apologeet, bekeerling of op z’n minst meelevend
gelovige, hun werk tot een getuigenis wilden maken. Katholieke schrijvers als Engelman en Van Duinkerken en
protestantse auteurs als Willem de Merode en Gerrit Achterberg stonden in het voorste gelid en hebben zich tot op
heden in de canon weten te handhaven.
Wat de bewust voor hun geloof uitkomende katholieke dan wel protestantse schrijvers van de eerste helft van
de twintigste eeuw onderscheidt is hun ambivalente houding tegenover de moderniteit. Eensdeels traden zij de door
techniek en wetenschap veroorzaakte onttovering van de wereld met een zekere berusting tegemoet, voor een ander
deel stelden zij, zeker wanneer ze de modernistische poetica waren toegedaan, daar de eenheidstichtende dan wel
eenheid herstellende zingeving van de kunst tegenover.
Wie in de huidige ontwikkelingen een reprise wil zin van wat zich tussen 1900 en 1940 in West-Europa
voordeed, zal de literaire representanten van het religieuze reveil moeten beoordelen op grond van hun houding
tegenover het moderniseringsproces. Wat dat oordeel misschien in de weg zit is het wijdverbreide idee dat zowel de
Pagina 1 van 4
Deze lezing én het vraag-gesprek zijn te beluisteren op: www.begijnenhofgesprekken.nl
De lezing van Prof. Dr. Jaap Goedegebuure op 11 maart 2012 in de Begijnenhofgesprekken in Eindhoven.
moderniteit als de modernistische reactie daarop van gedaante en inhoud veranderd zijn nu de westerse samenleving in
een postmoderne fase is komen te verkeren. Het polaire onderscheid tussen massa en elite, tussen civilisatie en cultuur
en tussen amusement en kunst zou zijn vervaagd, en daarmee ook de basis van waaruit de humanistisch dan wel
religieus geïnspireerde modernist de stilaan inhumaan geachte moderniteit kan bekritiseren.
De these van de postmoderne switch mag dan misschien veel welsprekende verdedigers vinden (hier te lande
bijvoorbeeld Frans Ruiter en Wilbert Smulders, auteurs van Literatuur en moderniteit in Nederland 1840-1990 ), dat
betekent niet dat er geen katholieke auteurs zouden zijn die net als de jong-katholieken van het interbellum uit naam
van een religieus geïnspireerd eenheidsdenken stelling nemen tegen de functionele moderniteit en het desintegreren
van de sociale cohesie. De al genoemde Renate Dorrestein, die er de laatste jaren geen geheim van maakt dat haar
roomse wortels haar nog altijd dierbaar zijn, zou kunnen gelden als een representant van deze tendens en zelfs de door
Ruiter en Smulders met postmoderne camp vereenzelvigde Gerard Reve, in wie ondanks al zijn schmieren wel
degelijk een serieuze cultuurcriticus stak.
Het eerste scheurtje in dit schijnbaar gesloten front van een agnostische, zo niet atheïstische literatuur werd zichtbaar
toen Gerard (Kornelis van het) Reve, tijdens zijn leven beschouwd als een van de Grote Drie Nederlandse
romanschrijvers (W.F. Hermans en Harry Mulisch completeerden het trio) zich aansloot bij de kerk van Rome. Die
stap was des te opvallender nu het iemand betrof die door zijn communistische ouders was grootgebracht in de
overtuiging dat godsdienst niets anders was dan de opium van het volk.
Zo ongewoon was het feit van Reve’s bekering, dat hij buiten de kring van zijn intimi door vrijwel niemand
serieus genomen werd. Men dacht aan een publiciteitsstunt, aan clownerie, aan krankzinnigheid zelfs. De eerlijkheid
gebiedt dat niets van dat alles Reve vreemd was. Tegelijk was het hem in de beleving van het christelijke credo in
hoge mate ernst. Vader, Zoon en Heilige Geest, zonde, verlossing, het waren voor hem geen loze woorden maar
levende begrippen. Wel kun je zeggen dat Reve, in weerwil van zijn erkenning van de kerkelijke dogma’s, er tamelijk
idiosyncratische interpretaties en zienswijzen aangaande die dogma’s op nahield. Hij betoonde zich onder meer een
fervent voorstander van Maria’s opwaardering tot Vierde Persoon Gods, beschouwde Satan als een broertje van
Christus en beeldde zich God in als een ezel met wie hij seksueel verkeerde. In orthodoxe kringen, vooral de
calvinistische, kreeg hij daarmee de handen niet op elkaar. Integendeel, er werd een aanklacht ingediend wegens
smadelijke godslastering, gevolgd door een slepend proces en een moeizaam verkregen vrijspraak. De onverwachte
zegen die op al het gedoe bleek te rusten was dat Reve als zijn eigen advocaat optrad en zich in dat verband genoopt
zag helderheid te verschaffen, niet alleen ten behoeve van de rechter maar ook voor eigen gerief. Het resultaat was een
even schitterende als afdoende verdediging van zijn keuze voor de Moederkerk.
Steil of zelfs maar recht in de leer was Reve dus niet. En juist daarmee bevestigde hij in meer dan een opzicht
het informele, hier en daar zelfs eclectische karakter dat het geloof tegen het einde van de twintigste eeuw begon aan
te nemen. Reve zelf was de eerste om erop te wijzen dat zijn Mariaverering wortelde in de fascinatie die hij als
schoolgaande puber opdeed voor de Egyptische vruchtbaarheidsgodin Isis. En in zijn sadomasochistische inkleuring
van het evangelische lijdens- en opstandingsverhaal onderging hij de onmiskenbare invloed van romantische en
decadentistische voorgangers (een invloed die ook al te bespeuren viel in het werk van Willem Kloos, Albert Verwey
en Jacob Israel de Haan).
Vooralsnog bleef het geval Reve op zichzelf staan. In de jaren zestig, toen hij overstap naar het roomskatholicisme maakte, maakte zijn generatiegenoot Jan Wolkers een enorme opgang. Juist deze auteur was
exemplarisch voor de seculariseringstendens. De ongekend felle wijze waarop Wolkers zich tegen zijn orthodoxprotestantse achtergrond afzette, past in het klimaat van taboedoorbreking en normverruiming dat zich in deze periode
in hoog tempo verbreidt. In het volgende decennium zou Wolkers’ voorbeeld navolging krijgen van auteurs als J.M.A.
Biesheuvel, Maarten ‘t Hart en Jan Siebelink, net als hij van reformatorische huize en in min of meerdere mate
geneigd tot omzien in wrok.
In de houding van Nederlandse schrijvers inzake geloofskwesties veranderde pas iets aan het begin van het voorlaatste
decennium van de eeuw. Wie er bij wijze van markeringspunt een bepaalde datum voor zoekt, wordt op zijn wenken
bediend. In de zomer van 1982 verscheen bij de kleine uitgeverij Koolbergen een boekje met korte beschouwingen
van zeven auteurs die op dat moment tussen hun dertigste en veertigste jaar verkeerden. over god luidt, kernachtig en
in veelzeggende kleine letters, de titel.
over god is om meer dan een reden een publicatie van literairhistorisch belang. Om te beginnen komt hier een
generatie aan het woord, de generatie die wel wordt geassocieerd met het tijdschrift De Revisor dat in 1975 werd
opgericht en de eerste tien jaar van zijn bestaan het belangrijkste literaire podium in Nederland was. Van de hier
aanwezige auteurs maakten Frans Kellendonk en Nicolaas Matsier deel uit van de redactie; Doeschka Meijsing en
Pagina 2 van 4
Deze lezing én het vraag-gesprek zijn te beluisteren op: www.begijnenhofgesprekken.nl
De lezing van Prof. Dr. Jaap Goedegebuure op 11 maart 2012 in de Begijnenhofgesprekken in Eindhoven.
A.F.Th. van der Heijden hoorden tot de kring van vaste medewerkers. Oek de Jong werd in dit stadium van zijn
schrijverschap vaak in een adem genoemd met andere Revisor-auteurs, maar trad pas veel later tot de redactie toe.
Joyce & Co alias Geerten Meijsing stond veel dichter bij Maatstaf, en de man die het zevental completeerde, Kester
Freriks, was in zekere zin een partijloze buitenstaander.
Interessanter, binnen het kader van dit boek, is het feit dat de zeven auteurs, in het besef dat ze een nieuwe
generatie vertegenwoordigden, zich wensten uit te spreken over hun visie op God en geloof. We mogen aannemen dat
uitgever Jeroen Koolbergen namens hen allen sprak toen hij zijn inleiding begon met de vaststelling dat het `God is
dood’-tijdperk (impliciet vereenzelvigd met de jaren zestig) voorbij was. Met andere woorden: het taboe op een
onvooringenomen of positief gestemd spreken over de religie, dat gedurende de jaren vijftig en zestig in leven was
geroepen en bewaakt door invloedrijke opiniemakers als W.F. Hermans, Rudy Kousbroek en anderen, werd hiermee
doorbroken. Daarmee stond Gerard Reve (die drie jaar eerder zijn spirituele autobiografie en geloofsapologie Moeder
en Zoon had gepubliceerd) niet langer geïsoleerd.
Dat er een doorbraak had plaatsgevonden, wil overigens niet zeggen dat het taboe geheel was ontkracht.
Achteraf gezien kun je vaststellen dat het optreden van deze (lang niet homogene, zoals nog blijken zal) Gideonsbende
de zaak bespreekbaar had gemaakt en daarmee de discussie heropend. Tegenstanders als de al genoemde Kousbroek,
Carel Peeters, Gerrit Komrij en Michael Zeeman maakten zich op voor de tegenaanval. Die vond een breed front
plaats toen de Commissie voor de Propaganda van het Nederlandse Boek de boekenweek van 1997 in het teken van de
religieuze opleving had geplaatst. Het motto `Mijn God’, gaf eens te meer aan hoe pluriform en divers, om niet te
zeggen heterogeen en zelfs chaotisch dit reveil was.
Wat opvalt aan de atheïstische kruistocht anno 1997 is dat die zich niet uitsluitend richtte op een breed vertakt
fenomeen, maar er een paar prominente representanten uitpikte en die tot de kop van Jut promoveerde. Een dergelijke
behandeling viel bijvoorbeeld ten deel aan NRC/Handelsbladcolumniste Marjoleine de Vos, die als kampioen van het
ietsisme door Komrij en Kousbroek met pek en veren werd overladen.
Bijtender nog waren de hoon en schimpscheuten aan het adres van Willem Jan Otten. Deze auteur,
generatiegenoot én geestverwant van het zevental dat zich in over god had gepresenteerd, was er getuige van hoe zijn
echtgenote Vonne van der Meer (eveneens een succesvol schrijfster) zich medio jaren negentig had laten opnemen in
de rooms-katholieke kerk. Die bekering vond plaats in een periode dat Otten zich, haast tegen wil en dank,
geconfronteerd zag met ethische en morele vragen die hij, indachtig aan het onder intellectuelen wijd verbreide
adagium `anything goes’, voorheen uit de weg was gegaan. In zijn bewustwording speelde een controversiële
televisiedocumentaire de rol van katalysator. Er werd getoond hoe een ongeneeslijke zieke man zich voor het oog van
de camera een dodelijke injectie liet toedienen.
Met een schok begreep Otten dat de openbaarmaking van zoiets persoonlijks en intiems veel weg had van zijn
grote fascinatie, de pornografie, een fascinatie die hem nooit veel morele bekommernissen had bezorgd. Maar nu het
publiekelijk uitventen van een geval van euthanasie hem provoceerde tot stellingname inzake het recht op de
beschikking over eigen leven, begon hij van de weeromstuit ook anders te denken over de manieren waarop
filmproducenten en filmkijkers beschikken over de lichamen van mensen die zich verhuren aan de porno-industrie.
Het was vanuit die morele verontrusting dat Otten tot de overtuiging kwam dat de mens niet zijn eigen maaksel is en
dus ook niet eigenmachtig kan beschikken over eigen leven. Daarna was het nog maar een kleine stap naar het
doopvont van de Naardense kerk waar Otten bij gelegenheid van Pasen 1999 het voorbeeld van zijn vrouw volgde.
Reve, Kellendonk, Otten, ziedaar een paar belangrijke personages in het verhaal van de wonderbaarlijke terugkeer van
God in de Nederlandse literatuur zoals zich dat in de volgende hoofdstukken zal ontrollen. Het verhaal kent nog
andere figuren, prominente en minder prominente, spelers op het eerste plan en figuranten op de achtergrond. Het
tableau is, zoals het voorafgaande al liet verwachten, divers. We maken kennis met oude en nieuwe christenen, met
bekeerlingen en verdwaalde schapen die de weg naar de stal zoeken en soms bijna thuis komen. We verdiepen ons
achtereenvolgens in de opvattingen van min of meer rechtzinnige katholieken, protestanten en joden, en houden ons
daarna bezig met de spirituele exercities van schrijvers en dichters die gemoedsrust en verlichting hebben gezocht in
westerse of oosterse mystiek. En dat alles in het besef dat literatuur en religie, altijd al
communicerende vaten, vanaf de Romantiek een relatie onderhouden waarin er niet enkel sprake is van aantrekken en
afstoten, maar ook van een gedurig stuivertje wisselen. Sinds het begin van de negentiende eeuw pretenderen kunst en
poëzie niet zelden een vervangende religie te zijn. Gelovigen, de rooms-katholieken voorop, benadrukten de
esthetische hoedanigheden die eigen zijn aan het ritueel.
Hoewel ik me er van bewust ben dat een boek als dit geen volslagen onbekende terreinen betreedt en al
evenmin volkomen nieuwe inzichten biedt, vertegenwoordigt het nog wel een betrekkelijk verwaarloosd aspect van de
Pagina 3 van 4
Deze lezing én het vraag-gesprek zijn te beluisteren op: www.begijnenhofgesprekken.nl
De lezing van Prof. Dr. Jaap Goedegebuure op 11 maart 2012 in de Begijnenhofgesprekken in Eindhoven.
letterkunde, de neerlandistische voorop. Jaren lang immers s door literatuurcritici en aan de universiteit werkzame
neerlandici de indruk gewekt als zouden de Nederlandse letteren van de twintigste eeuw vrijgemaakt zijn, van religie
wel te verstaan. Uitgesproken protestantse en katholieke auteurs krijgen in literatuurgeschiedenissen stelselmatig een
plaatsje aan de periferie toegewezen. Gecanoniseerde oeuvres worden zoveel mogelijk van een christelijke inslag
ontdaan. Nijhoff schreef met Het heilig hout drie lekenspelen voor de kerkelijke hoogtijdagen Kerst, Pasen en
Pinksteren, en daarnaast gedichten over Maria Magdalena, Sint Sebastiaan en een psalmzingende vrouw, maar het is
ernstig taboe om hem een christelijk dichter te noemen. Ook Achterberg moet je liever niet in verband brengen met
geloof en gelovigheid. Van de scepsis ten aanzien van Gerard Reve’s toetreding tot de kerk van Rome heb ik al
melding gemaakt.
De afgelopen halve eeuw heeft de weerstand tegen het onderkennen van het religieuze element in de literatuur
een steeds sterker stempel op de literatuurbeschouwing gedrukt. Ongetwijfeld hangt dit samen met de
tempoversnelling in de secularisering van onze samenleving die na 1945 intrad, een tempoversnelling die vooral
tijdens de jaren zestig een climax bereikte. Binnen het literaire veld valt dan vooral melding te maken van het optreden
van anti-religieuze auteurs als W.F. Hermans, Rudy Kousbroek, Carel Peeters en anderen. Toch dateert de
aankondiging van `het avondrood der magiërs’ (om Kousbroeks alter ego Leopold de Buch te citeren) al van vele
decennia eerder. Het zijn de Forum-auteurs Ter Braak en Du Perron die ook in dit opzicht school hebben gemaakt.
Hun kruistocht culmineerde in de polemiek tegen de katholieke schrijvers van het toch tamelijk modernistisch
angehauchte tijdschrift De Gemeenschap. In de marge daarvan werd ook minder confessioneel ingestelde auteurs de
levieten gelezen. Vooral Du Perron beijverde zich om het werk van zijn vriend H. Marsman (fellow traveller in jongkatholieke kringen) te zuiveren van het hemelse heimwee waarvan het in de tweede helft van de jaren twintig
doortrokken was. Zijn bemoeienissen spitsten zich toe op de selectie en bewerking van de teksten die een plaats
kregen in Marsmans Verzameld werk, gepubliceerd in 1938. Maar Du Perron had zich al eerder laten zich kennen als
censor in dienst van de vrijdenkerskerk. Toen Marsman hem de eerste versie van het autobiografische stuk `Dichten
over den dood’ ter beoordeling voorlegde, brandde Du Perron los: `De “goddelijkheid” van dichters is toch
krankjorem; ik vind dat er minstens evenveel “goddelijkheid” voor noodig is om een boksmatch te winnen – maar in
ieder geval zou je er dan nog op een andere manier over moeten spreken dan je het hier deed. En die Onze-Lieve-Heer
die je ‘leenheer’ heet! Neen, ik kan daar alleen maar beroerd van worden; het is me te kras en te griezelig
spiritistisch!’
Gedurende het laatste decennium is in de neerlandistiek een voorzichtig begin gemaakt met het opruimen van
de op Forum teruggaande `Rezeptionsbehinderung’. Ongetwijfeld gestimuleerd door een sedert de jaren tachtig in
zwang gekomen klimaat waarin auteurs als Andreas Burnier, Oek de Jong, Frans Kellendonk, Willem Jan Otten en
Désanne van Brederode weer onbekommerd over God en geloof konden spreken, is ook de neerlandistiek op zoek
gegaan naar religieuze sporen in de literatuur van de twintigste eeuw. Baanbrekend was een in 1999 verschenen studie
waarin Jan Oegema, na aanzetten van Van de Watering en De Feijter, betoogde dat dichter Lucebert geen mysticus bij
wijze van spreken was geweest, maar een geroepen ziener die gedreven werd door het verlangen het vlees woord te
laten worden en werkelijkheid en mythe in elkaar te laten overvloeien, zoals Duitse romantici anderhalve eeuw eerder
ook hadden gepoogd.
Oegema’s voorbeeld kreeg in 2002 navolging van Jef Bogman, die overtuigend liet zien hoe Paul van Ostaijen
uit de mystiek de poëtische vonk wist los te slaan. Puttend uit tot dan toe nauwelijks benutte bronnen wist Bogman
duidelijk te maken dat Van Ostaijen zich tijdens zijn Berlijnse ballingschap (1919-1920) grondig verdiepte in Plato en
Meister Eckhart. Van Ostaijens opvattingen over de analogie tussen het goddelijke en het bovenindividuele en het
daarop gefundeerde pleidooi ten gunste van een abstracte kunst en een `zuivere lyriek’ vallen te begrijpen als de
uitwerking van Plato’s bezwaren tegen de mimetische kunst en Eckharts streven naar onthechting en
ontpersoonlijking.
Oegema en Bogman hebben ieder voor zich aannemelijk weten te maken dat Lucebert en Van
Ostaijen zich in volle ernst op de middeleeuwse mystiek oriënteerden. Ik zal hierna ingaan op het gebruik dat Hans
Faverey heeft gemaakt van het zenboeddhisme of de mate waarin Andreas Burnier tijdens de laatste fase van haar
schrijverschap haar verhouding tot het spirituele joodse erfgoed heeft bepaald.
Ik begon deze inleiding met Nietzsche, ik besluit die ook met hem. Want als geen ander gaf hij aan hoe kunst
en religie met elkaar verbonden zijn, toen hij zei dat je ze moet hebben liefgehad als je voedster om er ooit van los te
kunnen komen. Een utopie, deze gedachte? Nee, eerder een vrome wens.
Prof. Dr. Jaap Goedegebuure
Pagina 4 van 4
Deze lezing én het vraag-gesprek zijn te beluisteren op: www.begijnenhofgesprekken.nl