PDF-versie / PDF-weergawe

Commentaren

Transcriptie

PDF-versie / PDF-weergawe
Alfabetische Woordenlijst (Zuid-)
Afrikaans - Nederlands
Door Marcel Bas.
Afrikaans - Nederlandse woordenlijst met uitleg
en aantekeningen
Dit is de grootste Afrikaans-Nederlandse woordenlijst
op het internet. En ze blijft groeien, want ik voeg er
regelmatig woorden en wetenswaardigheden aan
toe.
Mijn naam is Marcel Bas, en ik ben taalkundige. Ik
geef, onder andere, Nederlandse taalles aan
Marcel Bas
Afrikaanstaligen en Afrikaanse taalles aan
Nederlands- en Duitstaligen. Ik ben tevens corrector, schrijver en vertaler vanuit
verschillende talen, waaronder het Afrikaans. Die taal bestudeer ik sinds mijn
achttiende jaar met grote belangstelling en enthousiasme.
Inleiding
Het Afrikaans, ten onrechte vaak "Zuid-Afrikaans" genoemd, is ontstaan uit
taalcontact tussen zeventiende-eeuwse, Hollandse dialecten, Khoi en slaventalen.
Inmiddels is ze uitgegroeid tot een volwaardige taal, die zich onder invloed van het
Engels steeds onafhankelijker van het Nederlands ontwikkelt. De woordverschillen
met het Nederlands zijn dan ook buitengewoon interessant en het beschrijven
waard. Deze woordenlijst biedt u op leerzame wijze de kans kennis te maken met
die verschillen.
De lijst is niet alleen leerzaam, ze is ook praktisch, want u kunt haar ook afdrukken
en op reis in zuidelijk Afrika of bij het lezen van teksten in het Afrikaans gebruiken.
De lijst laat ook zien wat de taal níet is: ze is niet, zoals velen denken, slechts een
soort mengelmoes van het Nederlands of een "grappig taaltje" dat woorden als
pletterpet i.p.v. 'veiligheidshelm', amperbroekie i.p.v. 'string', stront-in-die-broekie
i.p.v. 'diarree', kan-nie-sink-nie-skippie i.p.v. 'duikboot', en loerpypie i.p.v. 'verrekijker'
zou kennen. Dit grappige imago berust op een Nederlandse misvatting.
Pletterpet is in het Afrikaans namelijk gewoon veiligheidshelm. Het woord bestaat
wel in het Afrikaans, maar als grapje; ongeveer zoals Nederlandstaligen beeldbuis
i.p.v. televisie, en doppen i.p.v. ogen zeggen. Ook het bekende amperbroekie is
grappig bedoeld, maar men zegt eerder g-string, en meestal deurtrekkertjie. Voorts:
Stront-in-die-broekie bestaat helemaal niet, en is in het Afrikaans diarree
Kan-nie-sink-nie-skippie bestaat ook niet: dit is gewoon duikboot
Loerpypie bestaat evenmin en is in het Afrikaans gewoon verkyker
Maar dat maakt het Afrikaans er niet minder interessant op!
Tot slot een toelichting op de woordenlijst: bij begrippen die verwarring kunnen
veroorzaken (zoals het verschil tussen arties en kunstenaar, of de betekenis van
steen) heb ik voorbeeldzinnen bedacht die de betekenis duidelijker moeten maken.
Verder ben ik bij veel woorden ingegaan op de geschiedkundige, etymologische,
sociale en culturele achtergrond, en doe ik melding van de gevoeligheden die
woorden kunnen oproepen.
Raadpleeg deze lijst regelmatig, want ze wordt voortdurend uitgebreid.
Marcel Bas ([email protected])
Vir soek: druk Ctrl + f
Voor zoeken: toets Ctrl + f.
Afrikaans
Nederlands
aalwee, aalwyn - zn
aloë
aanbied
aanbieder
aand – zn
aandete – zn
aanbieden, presenteren
presentator (radio, TV)
avond
avondeten
gebeuren; verder gaan / voortgaan; betreffen
aangaan – ww
Vgl. 'Kanniedood'
("Wat gaan hier aan?" = Wat is er hier aan de hand? / "Vir sover as dit my
aangaan..." = Wat mij betreft... / "Dit het so vir 'n halwe dag aangegaan." = Het
ging zo'n halve dag door.)
Vgl. Eng. 'go on'
doorgaan (met), voortgaan (met), blijven doen, aan de lijn blijven
(telefonisch), geduld betrachten
aanhou - ww
"Hou aan, asseblief" = "Blijft u even wachten, alstublieft / Blijft u aan de lijn
alstublieft"
"Dit hou aan reën" = "Het blijft regenen"
Vgl. Eng. 'hold on'
aanmeld - ww
aanpiekel - ww
(zich) aanmelden, inchecken (ook op luchthaven)
(met moeite) dragen, vervoeren; gaan, lopen
aanstellerig, overdreven emotioneel
aansitterig
Opm.: De Nederlandse zin "Stel je niet aan" wordt dan ook als "Moenie so
aansitterig wees nie" vertaald en niet als "Moenie jou aansit nie" of iets
dergelijks.
aanzetten, aandoen, inschakelen
aanskakel
Opm.: dit werkwoord wordt bij electronische apparaten gebruikt, wat te vertalen
is met 'aandoen, aanzetten': "Skakel die televisie aan, asseblief" en "Ek het
nou die motor aangeskakel" = "Ik heb nu de auto/motor aangedaan"
'Aansit' wordt hier ook gehoord, maar dit wordt als minder netjes beschouwd.
Vgl. Eng. 'switch on'
Zie ook 'afskakel'
zich aansluiten; lid worden
aansluit - ww
aansoek - zn
aansteeklik
aap (die ~ uit die mou laat)
aar - zn
aardig
Opm.: Het Afrikaanse aansluit by (zonder wederkerend voornaamwoord) wordt
overeenkomstig het Eng. werkwoord to join gebruikt, waar de betekenis ook 'lid
worden van' kan betekenen: Hy het by Danie Theron se Verkennerskorps
aangesluit = 'Hij werd lid van het Verkennerscorps van Danie Theron'
Honderde leerlinge het by die biblioteek aangesluit = 'Honderden leerlingen zijn
lid geworden van de bibliotheek'
verzoek, sollicitatie, aanvraag
besmettelijk (ziekte)
een geheim verklappen
(koren-)aar; ader - zn
onaangenaam, naar, misselijk, zich niet lekker voelend;
ongemakkelijk, slecht, gegêneerd, beschaamd; irritant,
aanstotelijk; aanzienlijk, groot
Zie verder bij arig, met verdere uitleg over deze voor het Nederlands
ongebruikelijke betekenis
aartappel, ertappel - zn
aardappel
aartappelskyfies - zn
patates frites; chips
aasvoël - zn
gier
abba
op de rug dragen
verkeerd, niet juist, 'er naast', abuis
abuis
ablusieblok - zn
afdelingswinkel - zn
afdraaipad - zn
afdraand(e) - zn
affêring, affêre - zn
affodil - zn
afgehaal voel (ek voel
afgehaal)
ertappel is een wisselvorm.
(vgl. 'slaptjips')
Vgl. 'gier'
(Ek is ~ = Ik heb het mis, ik zit ernaast)
toilet- en wasgelegenheid op een camping
warenhuis
Vgl. Eng. 'department store'
afrit, afslag
zn. helling (naar beneden); bijw. bergafwaarts
(vgl. 'opdraand(e)')
affaire
narcis
zich beledigd, vernederd voelen
afhalen, afdoen, afzetten
afhaal
("Hy haal sy helm/hoed van sy seuntjie se kop af" = "Hij neemt zijn helm/hoed
van het hoofd van zijn zoontje af"; "Haal jou boeke af" = "haal je boeken er
vanaf"). Vlg. 'ophaal' en 'oplaai'
afklim - ww
uitstappen (bus, trein, e.a.)
aflag (iets ~) - ww
iets lachend wegwuiven, op lichtvaardige wijze met een ernstig
probleem omgaan door erom te lachen
Vgl. 'inklim'
Opm.: aflag is een anglicisme, afkomstig van Eng. to laugh off:
Afr. Hy het die hele voorval afgelag - Eng. He laughed off the entire incident =
Hij wuifde het hele voorval lachend weg.
afneem
afrigter - zn
afskakel
afnemen, fotograferen
trainer
uitzetten, uitdoen, uitschakelen
Opm.: dit werkwoord wordt bij electronische apparaten gebruikt, wat te vertalen
is met 'uitdoen, uitzetten', 'uitschakelen': "Skakel die televisie af, asseblief" en
"Ek het nou die motor afgeskakel" = "Ik heb nu de auto/motor uitgezet"
'Afsit' wordt hier ook gehoord, maar dit wordt als minder netjes beschouwd.
Vgl. Eng. 'switch off'
Vgl. 'aanskakel'
aftorring - ww
aftornen
met pensioen gaan
aftree - ww
Opm.: Dit woord heeft er de schijn van dat het een leenvertaling van het Eng.
morfologisch gelijkende 'to retire' is.
aftree-oord - zn
complex met bejaardenwoningen
aftrekken (geen seksuele connotatie), naar beneden trekken,
downloaden
aftrek - ww
iemand se aandag aftrek = iemands aandacht afleiden
aftrekorder / debietorder - zn machtiging tot automatische afschrijving
aftrekplek - zn
parkeerplaats langs de snelweg (dus geen zgn. 'afwerkplek'!)
korting
afslag zn.
afslag ww
afsterwe - ww
afval - zn
Opm.:Hoewel in het Afrikaans zowel het woord korting als afslag bestaat, wordt
afslag vaker gehoord. In het Nederlands is dit net andersom, en wordt 'afslag'
meer bij grote bestellingen (bij 'bulk'-bestellingen, bijvoorbeeld) of bij
groothandels gebruikt.
"By hierdie grootmaatbestelling het ek 'n goeie afslag gekry" = "Op deze
bulkbestelling heb ik veel korting/afslag gekregen"
"Kry nou afslag by jou reis na Europa!" = "Krijg nu korting op je reis naar
Europa!"
villen
(verh.; arch.) doodgaan, overlijden; (modern Afr.) contact
verliezen met vrienden, familie, kennissen ("Hy het sy vriende
afgesterf vandat hy oorsee gaan bly het")
afval; traditioneel boerengerecht van schapenpens,
schaapspootjes en schapenkop, langzaam gegaard in gekruid bijv. met kerrie - heet water.
Vgl. 'vullis', 'vuilis'
agtermekaar
agterste (plat) - zn
aikôna, haikôna
aitsa!
akkedis - zn
akkerboom, eikeboom - zn
albaster, albastertjie - zn
algemene handelaar - zn
voor elkaar, in orde
achterwerk
nee!, helemaal niet!, over m'n lijk!
uitroep van verbazing
hagedis
eikenboom, eik (Quercus robur)
knikker
soort 'Winkel van Sinkel'
alikreukel / arikreukel /
arikruik / alikruik - zn
'alikruik'; grote zeeslak die zich op rotsen ophoudt (Turbo
sarmaticus)
Vgl. Eng. 'general trader'
alleenloper, enkelloper zn
alleenlopend, enkellopend
bijv. nw.
vrijgezel, alleenstaande
vrijgezel, alleenstaand
iedereen, elkeen, allen
Opm.: In tegenstelling tot het Nederlands, gebruikt het Afrikaans 'almal' ook als
het onderwerp in een zin, terwijl het in het Nederlands enkel een onbepaald
telwoord is dat aan het onderwerp of voorwerp toegevoegd wordt (wij, jullie, zij
allemaal). Het Nederlandse gebruik van 'allemaal' treft men in het Afrikaans
echter ook aan. De volgende zinnen moeten het bovenstaande illustreren.
"Almal in Paterson weet waar lê Kaapstad. Maar weet almal in Kaapstad waar
lê Paterson?" = "Iedereen in Paterson weet waar Kaapstad ligt. Maar weet
iedereen in Kaapstad waar Paterson ligt?"
"Suid-Afrika, waar almal tuisvoel." = "Zuid-Afrika, waar iedereen zich
thuisvoelt."
"Dit is 'n groot vrees vir ons almal." = "Dat is een grote vrees voor ons
allemaal/allen."
almal
En het wordt, net als in het Nederlands, als onbepaald telwoord naast het
onderwerp gebruikt: "Hulle is almal vriende van my" = "Zij zijn allemaal
vrienden van mij"
"Ons is nie almal so nie"= "Wij zijn niet allemaal zo".
Dit is echter enkel mogelijk bij mensen.
Immers, de manier waarop in het Nederlands allemaal voor abstracte
begrippen, dingen of massa's gebruikt wordt, moet in het Afrikaans met 'alles'
(of, in de spreektaal, met 'als') vertaald worden; net als in verouderd
Nederlands. Bijvoorbeeld:
"Dit het alles verander" = "Het is allemaal veranderd"
"Dit is alles maniere waarop ons vir mekaar kan vererg" = "Het zijn allemaal
manieren waarop we elkaar kunnen irriteren".
In het Afrikaans kent men ook' elkeen', maar dit betekent meer 'eenieder',
'iedereen afzonderlijk'. Het Engels kent deze betekenis ook, van each (one).
Vgl. 'enigeen'
kalender
almanak - zn
Opm.: In het Afrikaans kunnen 'almanak' en 'kalender' door elkaar gebruikt
worden en betekenen ze precies hetzelfde, al wordt 'kalender' veel vaker
gebruikt. Het Nederlandse woord almanak, d.i.een jaarlijkse publicatie met
allerhande terugkerende informatie, is in het Afrikaans te vertalen met
'almanak'.
(spreektaal) alles, allemaal
als - bijw.
amandel - zn
"Dis als verby" = Het is allemaal voorbij. / "Dis als verniet" = Het is allemaal
tevergeefs
amandel (de boom en de steenvrucht waarvan de pit eetbaar is
als noot (Prunus dulcis); niet de lymfeorganen achterin de keel)
Opm.: De benaming voor de lymfeorganen achterin de keel die in het
Nederlands amandelen genoemd worden (tonsillen), zijn 'mangels' in het
Afrikaans (zie aldaar).
bijna
amper
Opm.: Het Nederlandse 'amper' kan het beste benaderd worden door 'skaars'
of in mindere mate 'nouliks' te gebruiken:
amperbroekie (weinig gebr.) - tangaslipje
Opm.: in plaats van het grappig bedoelde 'amperbroekie' zegt men in het
zn
Afrikaans eerder 'deurtrekkertjie' om het tangaslipje of, in het Engels, de gstring mee aan te duiden.
officieel
amptelik
Hierdie nuwe wyn is gister amptelik bekendgestel = Deze nieuwe wijn is
gisteren officieel geïntroduceerd
aan de andere kant / aan de overzijde
anderkant
("anderkant die longdrop kry jy die bure se erf" = aan de andere kant van het
buitentoilet vind je het terrein van de buren)
(vgl. 'duskant' en 'oorkant')
het buitenland
anderland - zn
("ek wil nie in anderland bly nie; anderland se kos is so vreemd" = ik wil niet in
het buitenland wonen; het eten in het buitenland is zo raar)
angstig; heel graag
angstig
Opm.: de betekenis 'heel graag' wijst op een leenvertaling uit het Engels. In
deze zin vertoont angstig sterke overeenkomsten met Eng. anxious, dat
weliswaar op angstig lijkt - en dat via Latijn anxius ook ver verwant is aan
angstig. Een voorbeeld van dit gebruik van angstig in het Afrikaans:
Hy was angstig om van hom te leer = Hij wou heel graag van hem leren.
(vgl. Eng. He was anxious to learn from him)
dametje, mevrouwtje (schertsend)
antie - zn
Vgl. Eng. 'auntie'
Zie ook tannie, oom, omie
antrasietstoof - zn
appelkoos - zn
kolenkachel
abrikoos
struik met grote, eetbare, appelachtige bessen (Physalis viscosa
en P. angulata)
drogist, apotheek
aperitief
appelliefie - zn
apteek - zn
aptytwekker - zn
Vgl. Eng. 'appetiser'
naar, ongesteld; beschaamd, niet op z'n gemak; onvriendelijk,
irritant, onaardig
arig
arm (mv. arms) - zn
arme, armes - zn
arties - zn
Opm.: In het Nederlands betekent aardig 'vriendelijk'. De voor het Nederlands
tegenstrijdige betekenis van het Afrikaanse aardig en arig is eenvoudig te
verklaren door te kijken naar het zeventiende-eeuwse Nederlands; algemeen
betekende aerdich 'beleefd, vriendelijk' (Jan de Vries: 1971), zoals nu in het
Algemeen Beschaafd Nederlands, maar in dialecten betekende het 'vreemd,
eigenaardig'. Er zijn Vlaamse dialecten waar die negatieve betekenis
behouden is. Daar zegt men 'aorig' om een ongemakkelijke situatie aan te
duiden (G.J. van Wyk (red.), Etimologiewoordeboek van Afrikaans: 2003).
arm, armen (ledematen)
arme, armen
kunstenmaker, circusartiest, 'artist'
Opm.: 'arties' betekent niet NL. 'artiest'. Het is dus geen musicus of een ander
soort kleinkunstenaar. Men moet het eerder zoeken in het circus en bij
spektakels).
("Dit is lewensgevaarlik om 'n sweefstok-arties se kunsies te probeer nadoen"
= Het is levensgevaarlijk om de kunsten van een acrobaat te proberen na te
doen). Zie verder bij 'kunstenaar'
aspris - bw
expres, opzettelijk
asseblief
alstublieft
Opm.:Dit woord is een variatie op Nl. expres
Bij verzoek: "Vir meer inligting moet jy asseblief net die bostaande vorm invul"
= Voor meer informatie verzoeken wij je het bovenstaande formulier in te
vullen.
astrant
atjar - zn
Awendmaal - zn
B
baadjie - zn
baadjiepak - zn
baai
Baai, die - zn
baaibroek - zn
baas - zn
brutaal
groente in azijn (maar niet hetzelfde gerecht als de Indische atjar
in Nederland en Indonesië
(bijbels) (Laatste) Avondmaal
jasje, colbert
mantelpak
zn. baai; ww baden, vrijetijdszwemmen
(vgl. 'bad)
bijnaam voor Port Elizabeth
zwembroek
baas, (vero.) beleefde, zwarte aanspreekvorm voor blanke
Er zullen nog enkele oude, zwarte mensen zijn die blanken willekeurig baas
noemen. Dit kan vreemd overkomen, bijvoorbeeld als een toerist uit Nederland
op een boerderij aangesproken wordt met "Môre, baas".
("'Goeiemôre, Baas', sê ou Gladman Nqumela vir die boerseun wat sowat
sestig jaar jonger is as hy.")
Vgl. 'miesies' en 'oumiesies'
(hist.) blanke heerschappij
baasskap - zn
Voor 1994 bestuurde Zuid-Afrika's blanke minderheid het land. Via de
Nasionale Party gaf ze te kennen Zuid-Afrika "blank" te willen houden, hetgeen
gerealiseerd zou worden in baasskap. In de praktijk bestond het baasskapstreven uit het behoud van blanke macht over arbeid, economie en met name
rassenpolitiek; d.w.z. de mogelijkheid afzonderlijk van andere rassen te kunnen
leven. In dezen betekent baasskap dus meer dan enkel 'baasschap' of
'heerschappij'. De term was al sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw
omstreden.
baba - zn
baby, zuigeling
babelas, babelaas, babalaas
kater (van drank)
- zn
Afrikaanse meerval (wijdverbreide Zuid-Afrikaanse zoetwatervis
baber - zn
Clarias gariepinus)
('baber' stamt af van het Nederlandse woord 'barbeel')
(bijw.) erg, zeer; vaak; (telw.) veel
("Ek het baie geslaap" / "Ek voel baie ongelukkig" / "Baie veel mense gee nie
om vir omgewingsbewaring nie.")
Opm.: veel wordt alleen gebruikt als het beheerst wordt door baie of te. Dus
erg veel is in het Afrikaans 'baie veel' en niet 'baie baie', en 'te veel' is gewoon
'te veel'.
baie
'Zo veel' is daarentegen 'so baie', tenzij je er een stellende trap (van
vergelijking) mee wilt uitdrukken:
"Ek dink so baie aan ons samensyn in Clifton..."
"Daar is so baie mense op die Strydomplein vandag."
(soms hoor je hier ook so veel)
Maar:
"As 'n volk het ons net so veel reg op selfbeskikking as ander volke."
"Probeer so veel as moontlik om jou waardigheid te behou."
erg goed
bakgat (gemeenz.)
("dit gaan ~ " = Het gaat erg goed)
Vgl. 'puik'
bakkie - zn
baklei
baljaar
bandopnemer - zn
bankfooie - zn
pick-up truck (kleine vrachtwagen met open bak)
op de vuist gaan, ruzie maken, strijden (overdr.)
spelen, huppelen
cassetterecorder
bankkosten
bankbiljet
banknoot - zn
bankrot
bankstaat - zn
battery - zn
beampte - zn
bed - zn
bedanking - zn
bedank - ww
bedanking inhandig - ww
bederf, bederwe - ww
bedlêend
Vgl. Eng. 'bank note'
failliet, bankroet
dagafschrift van de bank
accu, batterij
ambtenaar
bed, bedding
"Vroeër kon ons swem en hengel in die ou rivierbed"
dankbetuiging, ontslag
(onovergankelijk) ontslag nemen; (overgankelijk) iem. bedanken
ontslag nemen
bederven; verwennen
Vgl. Eng. 'to spoil'
(zie ook 'verpes')
bedorwe brokkie - zn
bedlegerig
verwend kind
bedrywigheid - zn
activiteit
Vgl. Eng. 'spoiled brat'
Misdadige bedrywighede = criminele activiteiten
verliefd
beenaf - bn
("Sy het beenaf op hom geraak" = Zij werd verliefd op hem)
(vgl. pootuit)
bees - zn
koe
beesvleis - zn
beet - zn
beetslaai - zn
beethê - ww
befoeterd
bekendstel, bekend stel - ww
bek-af, bekaf
bekommerd - bijv. nw.
bekommerd wees - ww uitdr.
rundvlees
bieten
bietensalade
beethebben, vasthebben
slecht gehumeurd
introduceren
teleurgesteld, verontwaardigd, moe
bezorgd
bemagtig - ww
(vgl. 'gogga', 'besie' en 'dier')
bezorgd zijn, zich zorgen maken
in staat stellen, individuen en groepen versterken zodat ze
kunnen deelnemen aan de samenleving
Vgl. Eng. 'to empower'
Zie verder bij bemagtiging
het in staat stellen, versterken van individuen en groepen zodat
ze kunnen deelnemen aan de samenleving
bemagtiging - zn
bemark - ww
bemarking - zn
Opm.: In Zuid-Afrika houdt dit in dat voorheen achtergestelde groepen nu
worden bevoordeeld. Zo kent men sinds jaar en dag Swart Ekonomiese
Bemagtiging (SEB), hetgeen in de praktijk inhoudt dat de staat zwarte
bevolkingsgroepen economische voordelen en voorrechten toekent, hun bij het
creëren en toedelen van banen een voorkeursbehandeling geeft en bedrijven
verplicht tot het naleven van rassenquota. Inherent hieraan is echter dat
blanken bij gelijke of betere geschiktheid achtergesteld worden en dat blanken
op de arbeidsmarkt als tweederangsburgers moeten worden behandeld.
Vgl. Eng. 'empowerment'
Zie ook bij 'regstel' en 'transformeer'.
ergens reclame voor maken, iets commercieels aan de man
brengen
marketing
plannen, van plan zijn
beplan - ww
("Ons beplan om Hartenbosch toe te gaan gedurende die Kerstyd" = We zijn
van plan om tijdens de Kerst naar Hartenbosch te gaan)
berader - zn.
adviseur, consultant
advies, consult
berading - zn.
("Hulle het vir huweliksberading gegaan" = Zij hebben huwelijksadvies
gevraagd)
bêre - ww
opbergen, sparen
bêrekopie - zn
soort afbetaling bij winkel
beseffen, zich realiseren
besef - ww
Opm.In het Afrikaans kent men niet het werkwoord zich realiseren. Gebruik
daarom altijd besef.
besering - zn
bezering, verwonding, blessure
verzamelnaam voor kleine keversoorten
besie - zn
('haantjes', zoals 'liewenheersbesie' Coccinella spp. en 'valsstinkbesie' Nysius
natalensis)
(vgl. 'stoor')
druk, bedrijvig ("Ek is besig" = "Ik heb het druk")
besig - bn
Opm. In de Afrikaanse syntaxis speelt besig een rol als markeerder van het
progressief aspect. Het progressief aspect wordt in Nederlandse zinnen met
"aan het" + onbepaalde wijs uitgedrukt. In het Afrikaans met "besig om te" +
onbepaalde wijs.
"Ek is besig om te kook" = Ik ben aan het koken.
"Sulke vooroordele is besig om te verander" = Zulke vooroordelen zijn aan het
veranderen.
De Nederlandsere vorm is tot op heden ook in zwang in het Afrikaans:
"Armoede is aan die toeneem" naast "Armoede is aan 't toeneem" en
"Armoede is besig om toe te neem".
Onder invloed van het Afrikaans gebruikt het Zuid-Afrikaans Engels dezelfde
constructie, met busy: "I am busy reading" (Z.A. Engels) = "I am reading"
(Standaardengels).
besigheid - zn
zaak, handel
besigheidsman - zn
zakenman
Vgl. Eng. 'business'
Vgl. Eng. 'business man'
besigheidsure - zn
openingstijden
beskinder
belasteren
harde, uitgedroogde koek, vaak met karnemelk bereid, in blokjes
gesneden en gedoopt in de koffie; Z.A. Engels 'rusk'
beskuit - zn
Vgl. Eng. 'business hours'
Vgl. 'boerebeskuit, boerbeskuit'
besoedel - ww
besoedeling - zn
bestelling - zn
bestuur - zn
bestuurder - zn
verontreinigen, vervuilen
verontreiniging
(vgl. 'omgewingsbesoedeling')
afspraak
besturen, rijden
(motor bestuur = auto rijden
bestuurderslisensie - zn
bestuurder; manager
rijbewijs
betower - ww
betoveren
beursie - zn
portemonnaie
milieubewust
bewaringsbewus
bewertjie, bewertjies - zn
bielie - zn
biesies - zn
bietou - zn
Vgl. Eng. 'driver's licence'
Vgl. 'toor'
(vgl. 'omgewingsbewaring')
trilgras: Europese grassoort met hartvormige aartjes (geslacht
Briza)
super; kanjer
bies, rus (biezen van het geslacht Junca)
(uitdr. 'dat die biesies bewe'= 'als een tierelier')
geelbloemige, samengesteldbloemige struik met leerachtige
bladeren uit de zuidelijke kuststreek (Chrysanthemoides
monilifera)
een beetje, eventjes
'n bietjie - zn
("Ek gaan so'n bietjie kook" = Ik ga even koken)
Opm.: Abusievelijk zegt - en schrijft - men vaak 'bietjie', zonder het onbepaald
lidwoord.
bilharzia - zn
ziekte door larven in rivierwater
gedroogd rund- of wildsvlees dat men in lappen of in kleine
stukjes koopt en vervolgens met een biltongmesje eet
(traditioneel Boere-eten!)
binnenhuisarchitect
doornachtige nachtschadestruik met blauwe bloemen, gelobde
bladen en grote, kogelronde, olijfgroene, harde bessen
(sodomsappel): dit is een notoir 'onkruid' (Solanum sodomaeum)
zie ommezijde
sla
adempauze, rustpauze, tijd om bij te komen
de schuld geven aan
biltong - zn
binnenhuisversierder - zn
bitterappel - zn
blaai om (b.o.)
blaarslaai - zn
blaaskans - zn
blameer (vaak als
("Blameer dit op Apartheid!" = Geef Apartheid maar weer de schuld!)
anglicistische constructie 'iets Vgl. 'verkwalik'
op iemand blameer')
blaps - zn
blatjang - zn
bles
bleskop - zn
blikemmer - tussenw.
blikoopmaker - zn
bliksem - zn
blikskêr - zn
blikskottel - zn
blindings - zn - zn
blits
blits- (woorddeel)
blitsverkoper - zn
blitsvinnig
bloeddoortapping - zn
flater, vergissing
zoet-zure saus met azijn,abrikozen etc., i.e. chutney
kaal
(vgl. 'kaal' en 'haarloos')
kaalhoofdig
lieve hemel!, sodeju!
blikopener
zn bliksem, deugniet, snuiter;
ww iemand slaan, meppen
("Ek gaan jou bliksem as jy nie ophou nie!");
- tussenw.verdomme!
(vgl. 'blikskottel', 'foeter' en 'donner')
blikopener
deugniet
Opm.: Dit soort woorden, blikemmer en blikskottel, zijn eigenlijk afgeleid van 'bliksem'; taboevorming zal
hier de oorzaak van zijn.
bloei
rolgordijnen; jaloezieën: 'luxaflex'
weerlicht, lichtflits
flits-, snel-, vlugbestseller
heel snel
bloedtransfusie
bloeden
bloekomboom - zn
eucalyptussoort uit Australië
Bloemies, Bloem (gemeenz.)
blokkiesraaisel, blokraai - zn
blokkiesvloer - zn
blom - zn
blom - ww
Bloemfontein
kruiswoordraadsel
parketvloer
bloem
bloeien
blombedding - zn
bloembed, perk
blomkool - zn
bloemkool
slechts, ronduit, alleen maar
(vgl. kaal)
boven
zn de allerbeste; bijv nw top-, super-
bloot
bo
bobaas
bobbejaan - zn
bobotie - zn
(vgl. ww. 'blom')
(< Eng. 'bluegum tree', Eucalyptus globulus uit Zuid-Australië en Tasmanie)
(vgl. 'bloei')
(vgl. 'bed')
("Op hierdie CD sal jy vanjaar se bobaas treffers vind." = Op deze CD vind je
de allerbeste hits van dit jaar / "Ons verkoop net bobaas braaivleis." = Wij
verkopen alleen top-barbecuevlees / "Boerbone is bobaaskragkos" =
Tuinbonen zijn top-krachtvoer)
baviaan
eenpansmaal met vlees en kerrie, van Indiase oorsprong
boeglam (jou ~ skrik)
boegoe - zn
boekenhoutboom - zn
boeke merk
zich kapotschrikken
verzamelnaam voor geneeskrachige bossies (zie aldaar) uit de
citrusfamilie (Agathosma, Acmadenia)
boomsoorten (Kaapse boekenhoutboom Rapanea
melanophloeos en bosveldboekenhoutboom Faurea saligna)
(< dial. Ned voor 'beukenhout', omdat de bomen op de Europese beuk zouden
gelijken)
Vgl. 'olienhoutboom'
boekmerk - zn
schriften nakijken
huisgodsdienstoefening, thuis gezamenlijk uit de Bijbel lezen (<
boeke vat = 'pak de boeken')
boekenlegger
boekrak - zn
boekenplank, -kast
boep, boepens - zn
boerbone - zn
dikke buik
tuinbonen
het boeren, een agrarisch bedrijf runnen
boekevat - zn
boerdery - zn
boerbeskuit, boerebeskuit zn
boerekos - zn
boereplaas - zn
boereraat (mv. boererate) zn
boereverneuker (plat) - zn
Vgl. Eng. 'bookmark'
Vgl. 'rak'
Vgl. plaas
harde, uitgedroogde koek, vaak met karnemelk bereid, in blokjes
gesneden en gedoopt in de koffie; Z.A. Engels 'rusk'
traditionele plattelandse gerechten
boerderij
huismiddeltje
oplichter, matennaaier
zeer populaire, speciale verse barbecue-(braai)worst, bestaande
boerewors - zn
uit runder- en varkensgehakt, gemalen spek, gekruid met o.m.
kruidnagelen, koriander, worcestersaus en azijn of citroensap
boerie - zn
informele benaming voor boerewors (zie hierboven)
boeta - zn
oudere broer, oudste broer
boet, boetie - zn
broer(tje), ventje, (amicaal, schertsend) vriendje
boetebessie - zn (gemeenz.) vrouwelijke parkeerwachter
bog - zn
onzin
boggelrugwalvis - zn
bultrug(walvis)
boggom / bôgom
geluid / roep v.e. baviaan
bohaai - zn
lawaai, ophef
gedeelte van Kaapstad waar van oudsher de Kaapse Maleiers
Bo-Kaap - zn
wonen
bovenkant
bokant - zn
(Vgl. 'anderkant', 'duskant', 'oorkant')
boven, aan de bovenkant van
bokant - vz
bokka - zn
Opm.: Bokant my bed hang 'n skildery
(Vgl. 'anderkant', 'duskant', 'oorkant')
liefkozende aanspreekvorm voor meisje: schatje, liefje
Vgl. bokkie, engel, skattebol
bokkem - zn
op bokking gelijkende vis
bokkie - zn
geitje, bokje, kleine gazelle, kleine antilope, enz.; grietje; ventje
(liefkozende term)
("'n Lekker bossie bokkems" = Een lekker zooitje bokking)
Vgl. bokka, engel, skattebol
bollemakiesie - zn
geelgrijs zangvogeltje waarvan de roep op "bokmakierie!" lijkt:
Telophorus zeylonus
zn.doos; ww boksen
deel van de Kaapprovincie (ook Westelike Provinsie genoemd)
haarknot
koprol
bolyf - zn
romp
bontspring - zn
bontstaan - ww
uitvluchten zoeken
hard werken
boom; wiet
bokmakierie - zn
boks - zn
Boland - zn
bolla - zn
boom - zn
boonop
boontoe
bo-op
bo-oor
boord - zn
boorgat - zn
("Bollemakiesie slaan / maak" = een koprol maken)
Vgl. romp, rok
("Jy lyk sleg; het jy die naweek dalk te veel boom gerook?" = Je ziet er slecht
uit; heb je dit weekend soms te veel wiet gerookt?)
Vgl. 'dagga', 'zol' en 'skyf'
bodem (van pot, vat, emmer; niet de grond)
bovendien
naar boven toe
bovenop
boven over heen
boomgaard
waterwel
boos, euvel, verdorven
boos
("Ek is boos vir jou" = "Ik ben boos op jou" / "Om Satan te volg is 'n bose daad"
/ 'Ons veg nie teen vlees en bloed nie, maar teen die Bose').
Vgl. 'kwaad', 'kwaai', 'vies'.
bootry
bootje varen
zn sponsor (mv. sponsoren); ww sponsoren
borg - zn (mv. borge); ww
("Ons supermark borg die dorp se wedloop" = Onze supermarkt sponsort de
hardloopwedstrijd van het dorp / "Ons soek borge vir die wedloop" = We
zoeken sponsoren voor de wedstrijd)
borrel - zn
luchtbel, luchtbelletje
borrie - zn
koenjit / kurkuma / geelwortel (Curcuma longa)
borst (in alle betekenissen)
bors - zn
borslappie - zn
borsspeld - zn
bosberaad - zn
bossie - zn
Vgl. 'dop'
("Ons sing die volkslied uit volle bors")
slabbetje
broche
bepaalde vorm van brainstormen, georganiseerd op een
afgelegen plek, een commercieel jachtlandgoed of safaripark
struikje, kruid, bosje; zooitje (vis)
Opm.: bossies, als meervoud, kunnen ook naar het algemene Nederlandse
begrip onkruid verwijzen (zie hieronder bij het lemma bossies (~uittrek), maar
bossies zijn ook een bepaalde soort vegetatie, bestaande uit kleine, geharde
struikjes met heel fijne takjes die in de droge, aride gebieden leven. In de
Karoo, op het Hoëveld en elders vindt men bijvoorbeeld het kankerbossie,
kakiebos, ag-dae-geneesbos; kleine plantjes die houtig zijn om tegen het harde
klimaat bestand te zijn.
bossies ( ~ uittrek)
bossiestee - zn
onkruid (wieden)
rooibostee
penseelzwijn
bosvark - zn
(gedrongen soort inheemse zwijnachtige; Potamochoerus porcus)
(vgl. 'vlakvark')
Noord-Transvaals landschap
Bosveld - zn
Dit landschap wordt gekenmerkt door hoog gras met schaarse groei van
bomen, waar grootwild graast. Bomen die er groeien zijn Acacia erioloba
(kameeldoring), Acacia luederitzii (baster-haak-en-steek), Boscia albitrunca
(witgatboom) en Terminalia sericea (vaalbos).
bot - bijv. nw.
bot (bijv. nw.)
bottel - zn
fles
bottelstoor - zn
slijterij
botter - zn
boter
botterblom, botterblommetjie
- zn
botterbroodjies (skons) - zn
boud(e) - zn
bougenootskap - zn
(vgl. 'been')
(vgl. 'fles')
Opm.: i.p.v. het anglicistische bottelstoor zegt men liever drankwinkel)
Hy botter sy brood aan albei kante = Hij eet van twee walletjes
soort gazania (Gazania krebsiana)
bra - bw
scones
bil(len)
bank voor huisleningen
nogal; eigenlijk; weinig
bra - zn
beha
("Die aantal reaksies is bra beperk" = Het aantal reacties is nogal beperkt)
Vgl. Eng. 'bra'
dapper
braaf
Wie denkt dat dit een anglicisme is, zal verbaasd zijn te merken dat men in
ouder Nederlands ook 'braaf' zei om 'dapper' of 'stoutmoedig' mee aan te
duiden.
braai(vleis) - zn
braaivleisaand - zn
brak(kie) - zn
brakkiesbakkie - zn
brander - zn
branderplank - zn
branderry
bredie - zn
barbecue
barbecue-avond
(bastaard)hond
doggie bag
grote watergolf
surfplank
surfen
stoofpot, vaak met suring (Nl. klaverzuring: Oxalis)bereid
breekgoed - zn
servies
Vgl. 'waterblommetjiebredie'
brein - zn
hersenen (van mensen)
breinvliesontsteking
hersenvliesontsteking
- zn rem; ww remmen
briek
Brittanje - zn
Broederbond - zn
(vgl. 'harsings')
("Briek aandraai" = Op de rem trappen, afremmen)
Groot-Brittannië
In 1918 opgerichte, geheime organisatie die de politieke en
culturele belangen van Afrikaners behartigde. In 1994 omgedoopt
tot Afrikanerbond.
broeien, broeden
broei - ww
("'n Groot storm broei by die kus" = Er dreigt een storm bij de kust / "Papegaaie
broei nie maklik nie" = Papegaaien broeden niet makkelijk)
broeikas - zn
broeikasbaba - zn
broekiekouse - zn
broerskind - zn
bromfiets - zn
couveuse
couveusekind
panties
neef, nicht, oomzegger
brommer, motorfiets
brommer - zn
bromvlieg
bromponie - zn
brug - brûe - zn
brug ( ~ speel)
bruismeel - zn
scooter
brug - bruggen
bridge spelen, bridgen
zelfrijzend bakmeel
buiten- (als voorvoegsel)
buitebuitemuurs
buiten, buite
(Vgl. 'brommer')
(Vgl. 'bromfiets')
Opm.: Net als in het Nederlands schrijft men in het Afrikaans het woord buiten
mét n (men spreekt deze n in zulke gevallen ook steevast uit!). Maar in
woordverbindingen vervalt de n steeds. Zie hieronder, bijv., bij buitemuurs, en
vergelijk het lemma buiten, buite.
deeltijds (student), extraneus
buiten
(Vgl. 'buite-')
behalve, buiten
buiten vir
Dit is eigenlijk een anglicisme (except for), en wordt als volgt gebruikt: "Buiten
vir my, is daar niemand wat omgee vir 'n eerlike debat nie." = Buiten mij /
behalve mijzelf is er niemand die iets om een eerlijk debat geeft.
buitepasiënt - zn
poliklinische patient
stier
bul - zn
'Stier' wordt in het Afrikaans enkel gebruikt om er het gelijknamige sterrenbeeld
mee aan te duiden)
bulk
loeien
barg (gecastreerd mannelijk varken)
burg - zn
byderhand
Net als in het Nederlands wordt in het Afrikaans het ongecastreerde mannelijke
varken beer genoemd.
Dit Afrikaanse burg, met nultrap, is een goed voorbeeld van het feit dat het
Afrikaans voortkomt uit Hollandse dialecten, en niet uit een standaardvariant.
bij de hand, dichtbij
("In hierdie baie onveilige stad hou ek my pistool byderhand.")
byderwets
by die huis
bykomstighede - zn
byt - zn
modern, eigentijds
bijw. thuis
Vgl. Eng. 'at home'
accessoires
beet
("Byte van insekte kan gevaarlik wees" = Insectenbeten kunnen gevaarlijk zijn)
D
(gemeenz.) die, dat
daai
("Daai ou is darem 'n lelike ding!" = "Die gozer is toch lelijk!")
Vgl. 'daardie' en 'dii'
daardie (aanw.vnw)
die, dat
daar's hy, dankie
dadelbrood - zn
alstublieft (bij het aangeven van iets)
dadelkoek
meteen, gelijk
dadelik
Opm.: In het Nederlands betekent dadelijk tegenwoordig 'straks'. Gebruik voor
het Nederlandse 'dadelijk' het woord 'netnou', ''n bietjie later', en om het nog
gezwinder te maken 'nou-nou'.
dagboekie - zn
agenda
dageraad
dagbreek - zn
(vgl. 'daai', dié' en 'hierdie')
Vgl. Eng. 'daybreak'
marihuana, wiet
dagga - zn
dagha - zn
dagsê
dagsorgsentrum - zn
Opm.: De in Zuid-Afrika groeiende lipbloemige Wildedagga (Leonotis
Leonurus, ook duiwelstabak genoemd) is niet verwant aan de ons beruchte
wietplanten van het geslacht Cannabis. Met zijn mooie, oranje, buisvormige,
viltige lipbloemen is Leonotis leonurus een heester die eerder aan een enorme
dovenetel of salie doet denken. Hij wordt gebruikt als traditioneel medicijn
tegen koorts, hoofdpijn, hoesten en dysenterie. Ook de eenjarige planten
Leonotis ocymifolia en L. nepetifolia hebben een bedwelmende en
geneeskrachtige werking, bijvoorbeeld bij diabetes type II, en ze worden ook
dagga genoemd.
Vgl. 'boom', 'zol' en 'skyf'
specie, aangemaakte cement
goedendag
crêche
Vgl. Eng. 'daycare centre'
misschien
dalk
dam - zn
damwal - zn
dan en wan, af en toe
dankie
darem
Opm.: 'dalk' en 'miskien' kunnen naast elkaar gebruikt worden, al wordt
'miskien' in fomelere stukken gevonden, en 'dalk' minder. 'Dalk' komt voort uit
het Nederlandse woord 'dadelijk'
(vgl. 'dadelik')
stuwmeer, meer
dam
af en toe
(Zie verder bij 'elke dan en wan')
dank U, dank je wel
toch, wel
("Dit het die hele week gereën, maar ons het darem 'n lekker vakansie gehad!"
/ "Jy was besig! Het jy toe darem jou werk klaargemaak?" / "Ja, die probleem is
nou opgelos, maar darem... Ek is nog steeds ontsteld daaroor...")
(Kaapse) klipdas (Procavia capensis capensis)
dassie - zn
deesdae
Hoewel dit dier vernoemd is naar de Europese das, is het niet verwant aan
diens Avondlandse evenknie. Het gaat hier om een plomp, bruinharig diertje
van zo'n 40 centimeter, dat zich op rotsen en koppies (zie aldaar) ophoudt.
tegenwoordig (in de zin van 'dezer dagen'; niet 'aanwezig')
Vgl. 'teenwoordig', 'teenswoordig'
netjes
deftig
deken - zn
("Julle Hollanders praat altyd so deftig!" / "Vanaand is ons almal deftig geklee
in 'n donker pak met 'n wit hemp en 'n wit das")
sprei
(Vgl. 'kombers' en 'duvet').
aflossen (van schuld of zonde)
delg
("Hoe kan ek my skuld delg as ek werkloos is?")
Vgl. 'skuld' en 'opdok'.
ministerie
departement - zn
Die departement van arbeid = Het ministerie van werkgelegenheidVgl. Eng.
'department'
derduisende - telw
derduiwel - zn
derms - zn
denim - zn
vele duizenden
plaaggeest, duivel
darmen
spijkerbroek
deur
deur zn; door vz
Vgl. Eng. 'denim'
Vgl. 'door'
door elkaar, in de war, verward, ver heen (bijv. van drank)
deurmekaar
("Ek raak heeltemal deurmekaar as jy aanhou Afrikaans met Hollands meng" =
"Ik raak helemaal in de war als jij het Afrikaans met het Nederlands blijft
mengen").
deurmekaarspul - zn
deurentyd(s)
chaos
steeds
de, het
die
("Die meisiekind, die ou, die vrou, die voël, die land" = "het kleine meisje, de
jongen, de vrouw, de vogel, het land").
Vgl. 'dié'
die, dat (als verwijzing naar iets dat je eerder genoemd hebt)
dié
("In Suid-Afrika koop selfs die ouderlinge op Sondag die koerant. Dié dag is by
Nederlandse christene egter by uitstek die dag van rus en geloof.")
daarom
dié: dit is ~ dat...
("Vandag sal dit mooiweer en warm wees. Dit is dié dat ek 'n sambreel
saamgebring het." = Vandaag zal het zonnig en warm zijn. Daarom heb ik een
parasol meegebracht.")
Die Baai - zn (gemeenz.)
Die Kaap - zn (gemeenz.)
Port Elizabeth
Kaap de Goede Hoop
Paarl
Die Paarl (spr. 'die pêrel') zn
(dorp in de Westkaap, vernoemd naar de ronde, glinsterende heuvel op het
gemeentelijke grondgebied)
dier - zn
dier, beest
dik
dik (v. muren, enz); vol (na gegeten te hebben)
Vgl. 'bees'
("Wil jy nog aartappels?" "-Nee, ek is dik, dankie")
dikwels
dinee - zn
vaak, dikwijls
diner
(vgl. ete)
ding; stokpaardje, favoriete bezigheid; rage, hype, etc.
ding - zn
De betekenissen favoriete bezigheid, stokpaardje en rage zijn van Engelse
herkomst en kunnen niet altijd zo vertaald worden. Bijvoorbeeld:
"Vroëer was daar 'n boikot teen Suid-Afrika, maar nou is ons land dié ding in
toerisme." Of nog anglicistischer: "Deesdae is Afrikaanse sokkiejolliedjies die in
ding by kroeë."
Een andere betekenis is beter vrijer te vertalen: "Sonder Engelse woorde kan
Afrikaans maar nie sy ding doen nie." = " Zonder Engelse woorden kan het
Afrikaans niet (helemaal) functioneren."
dinkskrum - zn
denktank
duizelig, erg ver heen, 'lam', 'gek', etc.
disnis
("ek skrik/lag my disnis!" = ik schrik/lach me rot! "Ek hardloop my disnis" = ik
ren tot ik een ons weeg. / "Ek eet my disnis" = ik eet me lam/gek/ etc, etc.)
Vgl. 'boeglam', 'deurmekaar'
doedoes - ww
slapen
gaan ~
doek(ie) - zn
dog / gedog
dogter - zn
dolosgooi
dom-astrant, domastrant
domkrag - zn
donderstorm - zn
gaan slapen
doek; luier
dacht / gedacht / vermoeden gehad hebben
(jong) meisje, dochter
waarheidszegging door op de grond gegooide botjes te bekijken
eigenwijs en brutaal
krik
onweer
droge beekbedding, diepe sloot, diepe gleuf of gat in grond door
erosie of heftige regenval
donga - zn
donkie - zn
donkiewerk - zn
donner - zn
dood - dooie - <zn
dood - dooie - bn
doodernstig -bn
doodmaak
(soms worden zulke gleuven en gaten in de grond 'geute' (dus 'goten')
genoemd)
ezel
sleurwerk
zn donder, deugniet, snuiter, (geen) zier; ww slaan, rammen,
vallen ('donderen'); tussenw verdomd, verdomme
("Ek gee geen donner om nie" = Het kan me geen donder/zier schelen / "Hoor
die donner in die lug." = Hoor de donder in de lucht / "Waar is die donner nou?"
= Waar is die snuiter nou?
dood - dode
dood - dode, overleden
Opm. 'Dood' gebruikt men in het Afrikaans ook waar men in het Nederlands
'overleden' zou gebuiken:
"'n Brandbestryder is dood terwyl sy span gesukkel het om 'n veldbrand onder
beheer te kry." = Een brandweerman is overleden toen zijn ploeg met moeite
probeerde een veldbrand onder controle te krijgen.
"Vier mense is door in 'n fratsongeluk" = Vier mensen zijn overleden in een
bizar ongeval.
bloedserieus
doden, vermoorden
doodtrek
doorstrepen
dode - doden
dooie - dooies - zn
Allersieledag is die dag waarop die Katolieke Kerk die dooies gedenk = 'Op
Allerzielen gedenkt de Katholieke Kerk de doden'
dooier, eigeel
door - zn
doos - zn
Opm.: Men zal eerder 'geel van 'n eier' zeggen
(Vgl. 'deur')
doos; vrouwelijk geslachtsorgaan (plat); sukkel, halve gare, enz.
(kwets.)
("Jou doos!" = Jij Sukkel!)
dop - zn
neut, borrel; dop
dophou
Dopper - zn
in de gaten houden
lidmaat van de Nederduitsch Gereformeerde Kerk
doorn; 'geweldenaartje'
doring - zn
(vgl. 'regmakertjie', 'sopie', 'neut' en 'voggies'
("Jou doring!" = Je bent een engel! / Wat een geweldenaar! / Goed van jou!)
doringboom - zn
doringdraad - zn
'doornboom' (meestal bomen van het geslacht Acacia e.d.)
prikkeldraad
dorp, gemeente, woonplaats
dorp - zn
Opm.: Bij het invullen van formulieren wordt niet altijd naar woonplek gevraagd,
maar naar dorp. Dit betekent in dit geval hetzelfde.
douvoordag
voor dag en dauw
draad trek (plat)
draadsitter - zn
draai - zn
draai loop
zich aftrekken
iemand die geen kant kiest
znbocht, draai; wwdraaien
toilet bezoeken
draai maak
bezoeken
draf
drif - zn
hardlopen; joggen
doorwaadbare plaats in de rivier
infuus
drip - zn
droesel - zn
droë vrugte - zn
dronk
dronkgat (plat)
dronkslaan
droogmaak
Vgl. 'kniediepvoordag'
("Moenie in die bos draai loop nie." = Niet je behoefte in het bos doen)
("Kom maak gerus 'n draai as jy in Suid-Afrika is.")
Vgl. Eng. 'drip'
droogskoonmaker - zn
droesem, bezinksel, 'grondsop'
gedroogde vruchten
dronken; (zn) dronk
dronken, bezopen
verbijsteren
verbrouwen
stomerij
druip
druiwe - zn (mv.)
druiwekorrel - zn (enkv.)
druk - zn
druppelen; zakken (voor examen)
druiven
druif
ww stevige omarming geven (Eng. 'to hug')
Vgl. Eng. 'dry cleaner'
korte omarming ter hartelijke begroeting
druk, drukkie - zn
Opm.: In Zuid-Afrika omarmt men elkaar aldus vaker dan in de Nederlanden;
bij een weerzien of een afscheid voor langere tijd omarmen mannen vrouwen
en vice versa (bekenden, vrienden, verre familie) elkaar, ook als er geen
heftige emoties bij komen kijken.
(vgl. 'karnuffel' en 'karfoefel')
drukspyker - zn
punaise
drumpel - zn
drempel, dorpel
besturen (auto, paardenwagen); drijven; (be-)drijven
dryf
duet - zn
duik - zn
duiker - zn
duikweg - zn
duimgooi/duimry
duimspyker - zn
Duitse masels - zn
duskant
duvet - zn
duwweltjie, dubbeltjie - zn
dwarstrekker - zn
dwelmmiddels - zn
dwelms - zn
(Vgl. 'duimspyker')
("'n Besigheid dryf" = Een zaak drijven)
twee huizen onder een kap
deuk
duiker: zeer kleine antilope (van het geslacht Cephalophus)
tunnel, viaduct
liften
punaise
rode hond
deze kant, deze zijde; aan deze kant, aan deze zijde
("Duskant het ons nie sulke probleme nie" = Aan deze kant (van de oceaan)
hebben we niet zulke problemen / "Duskant die rivier." = Aan deze kant van de
rivier.)
(vgl. 'anderkant', 'oorkant')
dekbed
Vgl. Eng. 'duvet'
doorgaans twee plantensoorten (Emex australis en Tribulus
terrestris) die in het gras groeien en stekelige, harde vruchten
hebben die, wanneer erop getrapt, in voeten en poten blijven
zitten (zeer pijnlijk)
dwarskop, koppig iemand
drugs
drugs
E
ê; eg
êe, eg
eeld - zn
(vaak in de anglicistische
meervoudsvorm eelde
uitgedrukt)
eetplek - zn
eetsalon - zn
eg - zn (mv. êe)
eggen - ww
effens, effentjies
("Hierdie boek is effens beskadig" / "Die Rand kan teen die einde van die jaar
effens styg" / "Ons peusel effens, en dan gaan ons waai" = We eten eventjes
(een beetje) en dan gaan we ervandoor.)
eiendomsagent - zn
makelaar in onroerend goed
eelt
restaurant
restauratie (trein)
een beetje, net, lichtelijk
Vgl. Eng. 'estate agent'
eier - zn (mv. eiers)
Eikestad - zn
ei (mv. eieren)
bijnaam voor Stellenbosch
FONT SIZE="-1">Zie ook 'Matieland'
tussenw. au!
terminal
fantastisch, geweldig
eina!
eindpuntgebou - zn
eksie-perfeksie
ekskuus (tog) / 'skuus (tog) /
sorry, pardon
askuus (tog)
eland - zn
grote antilope (Taurotragus oryx)
zo af en toe
Opm.: Toevoeging van het woord 'elke' bij dit soort woordgroepen wordt als
elke dan en wan
anglicistische invloed beschouwd ('every now and then'). Men kan ook volstaan
met dan en wan en af en toe.
een ieder; wie dan ook
enigeen
("Moenie dat/lat enigeen vir jou ore aansit nie!" = Laat je niet door wie dan ook
overtroeven!)
Vgl. Eng. 'anyone'
motor (spr 'enjin' als ['℮ndʒ∂n])
enjin - zn
Uit Eng. 'engine'
Vgl. motor
engel - zn
liefkozende aanspreekvorm voor partner: schatje, liefje
enkelloper, alleenloper - zn
enkellopend, alleenlopend bn
enkelouer - zn
vrijgezel, alleenstaande
era - zn
erd-, erde-
erdvark - zn
Vgl. bokkie, bokka, skattebol
vrijgezel, alleenstaand
alleenstaande ouder
tijdperk
(Vgl. 'tydperk' voor verdere uitleg)
aard-, aarde- ('erdewerk', 'erdvark')
aardvarken
Opm.: geen varken of zwijn, maar een Afrikaans dier dat holen graaft en 's
nachts tevoorschijn komt en op termietenjacht gaat. Doet aan miereneter
denken, heeft lange snuit met heel kleine bek aan het uiteinde; heeft holle
tanden en een lange, beweeglijke tong waarmee hij in termietenheuvels peurt.
Net als de mol brengt hij met zijn gegraaf schade toe aan het boerenland, tot
ergernis van de boeren. Men vermoedt dat het aardvarken verwant is aan de
olifanten en dassies (zie aldaar). Wetenschappelijke naam: Orycteropus afer)
êrens
aardwolf
(soort bruine, grote hyena: Proteles cristatus)
regenworm, aardworm
ergens
ertappel, aartappel - zn
aardappel
Eskom - zn
Zuid-Afrika's grootste electriciteitsmaatschappij
diner, etentje, maaltijd
erdwolf - zn
erdwurm - zn
ete - zn
Vgl. 'iewers'
ertappel is een wisselvorm.
Dus niet 'voedsel', zoals in het Nederlands de betekenis van 'eten' ook kan zijn.
Vgl. 'aandete', 'dinee', 'wegneemete'en 'kos'
ertjie - zn
ewe bijw.
erwt
even
"Hierdie krimpvark en mol is ewe groot" = Deze egel en mol zijn even groot /
"Almal is nie ewe mooi nie, maar wat maak dit saak?" = Niet iedereen is even
mooi, maar wat maakt het uit?
Opm.: Vaak zegt men ewe skielik als men praat over een plotselinge
gebeurtenis: "Die Engelse sê dit reen nooit nie en dan sous dit ewe skielik" =
De Engelsen zeggen dat het nooit regent, en dan stortregent het plotseling.
F
fees - zn
festival
(Vgl. 'partytjie')
kuren, lastig gedrag
fiemies - zn
("Hy is vol fiemies")
(vgl. 'skeet')
fietsry - zn
fisant - zn
ww fietsen
fazant
flarden, flenters
flenters - zn
("aan flenters" = aan flarden, aan flenters)
flerrie - zn
zn losbol, een liefje, een flirt (gezegd van een meisje); ww flirten
flacon, thermosfles
fles - zn
Vgl. Eng. 'flask
(zie ook bij 'bottel')
bioscoopfilm
fliek - zn
("Gaan fliek" = Naar de bioscoop gaan)
Vgl. Eng. 'flick'
flieksaal - zn
flikkerlig - zn
flikkers - uitdr. (~ gooi)
flits - zn
bioscoopzaal
richtingaanwijzer
je uiterste best doen om iemand te imponeren
zn zaklantaarn (vgl. Eng. 'flash light'); ww flitsen
futloos, flauw (flou val, 'n flou-ogige man).
flou
Vgl. 'laf'.
flous
voor de gek houden, plagen
trucje, truc, stunt
foefie - zn
"Mense dink dis 'n bemarkingsfoefie" = "Mensen denken dat het een
marketingstunt is."
foeter
slaan
fok (plat)
geslachtsgemeenschap hebben
fokken - bn, bw, tussenw
(vgl. 'befoeterd')
(Vgl. 'neuk' en 'naai').
verdomde, vervloekte; verdomme; tussenwerpsel van groot
ongenoegen
Vgl. Eng. fucking, dat dezelfde betekenis heeft. Hoogstwaarschijnlijk si Afr.
'fokken' een leenwoord.
Vgl. 'teel'
niks, geen zier, noppes, 'geen fuck'
fokol / fokkol (plat)
("Ons het fokkol geld." / "Ek voel fokol.")
Vgl. Z.A. Eng. 'fuck all'
fondament - zn
fotostaat - zn
achterwerk
honorarium, prijs (zoals voor toegang), tarief, wettelijk
verschuldigd geld
fooi, 'drinkgeld'
fotokopie
fotostateer - ww
fotokopiëren
fraiing - zn
franje; pony (haar)
speling der natuur, speling van het lot, bizarre afwijking, vreemde
snuiter
fooi - zn
fooitjie - zn
frats - zn
Vgl. ouderw. Eng. 'photostat'
Vgl. ouderw. Eng. 'to photostat'
Vgl. qua betekenis Eng. 'freak'
woorddeel: bizar, totaal verrassend (en vaak noodlottig) als een
speling der natuur; als een speling van het lot
frats-
Opm.:Dit is moeilijk te vertalen in het Nederlands omdat er in het Nederlands
gekozen wordt voor een bijvoeglijk naamwoord of een beschrijving, en niet
zoals in het Afrikaans (waarschijnlijk onder invloed van Eng. freak) voor het
zelfstandig naamwoord, zoals frats-.
Zie de volgende Afrikaanse woorden, ter illustratie: fratsongeluk (noodlottig,
bizar ongeluk); fratsgolf (noodlottige, onverwachtse vloedgolf); fratstaal (een
taal die toevallig, bij wijze van ongeluk is ontstaan); fratsdonderstorm (een
hevige onweersbui die mensen verrast en overrompeld heeft)
Vgl. qua betekenis Eng. 'freak'
frikkadel - zn
fris
frokkie - zn
bal gehakt
stevig (van lichaamsbouw), potig; levendig; fris
mouwloos hemd (dat men onder kleren draagt).
(Vgl. verder 'T-hemp' en 'hemp'.)
funksie - zn
soort brokkelende snoep in blokjes gesneden, die aan toffee of
caramel doet denken
functie; receptie, feestje, plechtigheid
fynbos - zn
inheemse vegetatie uit de kuststreek van de West- en Oostkaap,
gekenmerkt door fijnvertakte struikjes en grote soortendiversiteit.
fudge - zn
Vgl. Eng. 'function'
Vgl. Eng. 'function'
G
plezierig, vriendelijk
gaaf
("Sal jy dalk so gaaf wees om vir my hierdie gunsie te doen?" = Zou je
misschien zo vriendelijk willen zijn om mij deze gunst te doen?)
(gaan) bad
zn bad; ww (gaan ~ ) een bad nemen
galeiproef - zn
drukproef van een onopgemaakte pagina
garen
garing - zn
gars - zn
(Vgl. baai)
"Kom ek wys jou hoe om garing deur 'n naald te kry."
gastekamer - zn
gerst
logeerkamer
gat - zn (plat)
achterwerk
Vgl. Eng. 'guest room'
Opm.: 'gat' wordt overal gebruikt als krachtterm.
gatkruiper - zn (plat)
gatlekker - zn (plat)
gedaan
gedoente - zn
slijmbal, iem. die graag witte voetjes haalt bij anderen
slijmbal, iem. die graag witte voetjes haalt bij anderen
kapot, erg moe; op; gedaan; afgelopen
("Ek is gedaan vir hierdie werk!" = Ik ben te moe voor (heb het gehad met) dit
werk! / "Knap gedaan!" / "Goed gedaan!" / "Gedane sake het geen keer nie." /
"Dit is makliker gesê as gedaan." / "So gesê, so gedaan." / "Bange vrae het in
sy gemoed opgekom: is dit nou gedaan met die HERE se verbondsliefde en
genade?" Psalm 77:8)
Opm.: 'gedaan' is een sterke, verbogen vorm van het werkwoord doen.
Normaliter zegt men 'gedoen', maar in dergelijke vaste uitdrukkingen komt de
oude, Nederlandse vorm 'gedaan' terug.
gedoe, drukte, lawaai, bezigheid; iets verbazingwekkends,
opzichtigs; spullen, dingen
Vgl.'goed', 'goeters'
gedurig
(geel)wortel - zn
geil
geitjie - zn
gekonfyt
gek skeer; die gek skeer met
gemaklik
steeds
koenjit, curcuma
(Vgl. 'borrie')
welig, vruchtbaar
gekko (verscheidene hagedissoorten met zuignappen aan tenen)
goed op de hoogte van ...
de draak steken met
gerieflijk, naar je zin
"Is jy gemaklik?" = "Zit je goed?"
Opm.: Dit woord betekent iets wezenlijk anders dan maklik, wat '(ge-)makkelijk'
, 'niet moeilijk' betekent.
Vgl. maklik en gerief
gemeenskap hê
gemeenschappelijk godsdienst hebben
gemeente - zn
gemmerbier - zn
gemeente (alleen van kerk)
ginger ale; gemberbier
narigheid, zooitje; onzin; verspilling ('n gemors van tyd =
tijdsverspilling)
gemors - zn
Vgl. Eng. 'fellowship'
Vgl. 'mors'
genadedood - zn
geneul - zn
euthanasie
gezeur
geniepig pijn doend; geniepig
geniepsig
("Ek het my voete geniepsig in die Kalahari-son gebrand." / "Jou skoonma is 'n
geniepsige vrou sonder humor.")
genugtig!
uitroep van verbazing, belndrukt zijn
gemak, comfort, voorziening
gerief - zn
gerook
geselligheid - zn
"In die gerief van" = "Met het comfort van":
"Ek sit altyd en drink whiskey en rook 'n sigaar in die gerief van my groot
armstoel."
Of: "Ons hotel is uitgerus met lugreeling en internetgeriewe" = "In ons hotel
bevinden zich airconditioning en internetgemakken/internetvoorzieningen"
Vgl. gemak, gemaklik en maklik
stoned
gezelligheid; feestje
converseren, babbelen, praten; ernstig praten
gesels
Opm.: De betekenis 'ernstig praten' moet eufemistisch worden opgevat: "Ons
moet gesels" = "Wij moeten eens ernstig praten"
geselsie - zn
geselstaal - zn
gesiggies - zn
gesiggestrem
geskinner - zn
gesog - gesogte
gestremd
gesuip (plat)
praatje, babbel
gewone, alledaagse spreektaal
viooltjes (bloemen, Viola spp.)
visueel gehandicapt, slechtziend
geroddel
gezocht, gewild, populair, veelgevraagd
gehandicapt
bezopen, lazerus
smaak (toegevoegd aan consumptiewaren)
geur - zn
Opm.: Het Nl. woord 'geur' moet vertaald worden met Afr. 'reuk' of 'ruik'
Vgl. qua betekenis Eng. 'flavour'
geut - zn
goot
gezwel, tumor
gewas - zn
gewild
gewoond raak aan
ghoef - ww (gemeenz.)
gholf - zn (sport)
ghries - zn (ouderw.)
ghwar - zn (ouderw.)
'Hy het weer boeke geskryf nadat sy breingewas suksesvol verwyder was.'
populair
wennen aan
zwemmen
golf
smeermiddel
(oliehoudende stof voor technische doeleinden; < Eng. grease)
onbeschofte persoon, ongelikte beer, grove vent, ongemanierde
persoon, enz.
rage, hype
gier - zn
"Die nuutste gier is om tradisionele kos en kontreikos voor te berei" = "De
nieuwste rage is het bereiden van traditioneel eten of regionaal eten."
Vgl. 'aasvoël'
glad (nie)
glips - zn
glo - ww
glo - bw
goed(jies) - zn
helemaal (niet)
ongelukje
geloven
naar het schijnt
bezit, goed; dingetjes, voorwerpjes
dingen, spullen; 'enzo'
goed - goete - zn
("Daar was kinders, hondjies, blomme en goete..." / "Jy bring vir my blomme en
jy is baie lief vir my en goete, maar ek voel niks vir jou nie.")
Vgl.'gedoente', 'goeters'
goeters - zn (mw. van 'goed') spullen, bezit
Vgl.'gedoente', 'goed'
goël
goëlaar - zn
goëlary - zn
gogga - zn
goochelen
goochelaar
goochelarij
insect; ongedierte; computervirus, verborgen microfoontje in muur
als afluisterapparatuur
goggas - zn(mv. van
voornoemde)
goiing - zn
gomtor - zn
gor - ww
beesten, beestjes (als insecten, enz.), ongedierte
jute
onbeschaafd persoon
knorren (van maag)
"My maag gor van die honger!" = Mijn maag knort van de trek/honger!
"Hy voel hoe sy maag gor-gor van lus vir die sop." = Hij voelt hoe zijn maag
knort van de trek in de soep.
gordel - zn
riem, ceintuur
gou
gauw
graad - zn
wetenschappelijke titel; graad
graad vang, graad verwerf ww
afstuderen, promoveren (zodat je een (nieuwe)
wetenschappelijke titel hebt verworven)
schep
graaf - zn
Opm.: Vaak zegt men ook 'belt'
("Maak gou! Maak net gou!" = Vlug! Haast je!)
Voor academische betekenis vgl. Eng. 'degree'
Opm.: 'skop' bestaat ook, maar is een in onbruik geraakt schepachtig stuk
gereedschap met een groter blad dat niet gebruikt werd om te graven, maar
om, bijvoorbeeld, graan op te gooien waarmee je het kaf van het koren kon
scheiden
gramadoelas - zn
wildernis, zeer ver weg van de bewoonde wereld
mop, grap
grap - zn
("Ek geniet 'n grap, maar hierdie een is darem flou." = Ik houd van een mop,
maar deze is echt flauw)
grassny
gras maaien
grassnyer - zn
grasmachine
rillen, walgen
gril - ww
grimering - zn
groenbone - zn
groendakkies - zn (scherts.)
groei
Vgl. Eng. 'to cut grass'
"Ek gril van rou vis" = Ek walg van rauwe vis
make-up
sperziebonen
Vgl. Eng. 'green beans'
gekkenhuis, gesticht
(onovergankelijk) groeien; (overgankelijk) telen, verbouwen,
kweken
Vgl. voor de overg. betekenis Eng. 'to grow'
(Zie ook 'teel' en 'fok')
groeten, gedag zeggen; afscheid nemen
groet
grondboontjie - zn
grondboontjiebotter - zn
grondpad - zn
grondvloer - zn
Opm.: Let op de betekenis 'afscheid nemen', die in het Nederlands niet
voorkomt. Als een Zuid-Afrikaan zegt "Ek groet nou vir eers", dan bedoelt hij
dat hij weggaat, en niet dat hij alsnog gedag zegt."Dit is nou tyd om te groet" =
"Het wordt tijd om afscheid te nemen". Maar ook zoals in het Nederlands:
"Groet vir die mense" = "Zeg maar gedag tegen de mensen"
pinda
pindakaas
grindpad, karrenspoor, niet geasfalteerde weg
parterre, begane grond
Vgl. Eng. 'groundfloor'
gru - ww
gruwen
gruwelijk
grusaam bijv.nw.
Vgl. Eng. 'gruesome', alhoewel dit geen anglicisme hoeft te zijn (denk ook aan
Duits 'grausam')
favoriet (zowel zn als bn; voorv.: lievelings-)
gunsteling - zn
("Jy is my gunsteling" = Jij bent mijn favoriet / "Dit is my gunsteling webblad /
gunstelingwebblad" = Dit is mijn favoriete website / Dit is mijn
lievelingswebsite)
Opm.: Eigenlijk heeft dit woord syntactisch en semantisch helemaal de functie
van het Engelse woord 'favourite' (dat zowel een zelfst. nw. als bijv. nw. kan
zijn)aangenomen, met uitzondering van het feit dat 'gunsteling-' soms ook
aaneengeschreven wordt met het zelfst. nw. (hier 'webblad'), waardoor het bijv.
nw. 'gunsteling' een zelfst. nw. wordt. Een staaltje van anglicistische
morfologische verwarring, dus: 'gunsteling webblad' = bijv. nw. + zelfst. nw. /
'gunstelingwebblad' = zelfst. nw. + zelfst. nw.)
Zie ook bij 'hoof' en 'hoof-'
H
haakdoring - zn
haar - bw
acaciasoort met haakvormige doornen (Acacia litakunensis)
acaciasoort uit het Bosveld (zie aldaar) en de savanne met zowel
kromme als rechte doornen (Acacia tortilis)
moeilijkheid, probleem
veiligheidsspeld
rechts (term bij ossendrijven)
haarloos
kaal
haarsny
(ww) knippen, kappen; (zn) haarsnit; knipbeurt
haak-en-steek - zn
haakplek - zn
haakspeld - zn
Vgl. 'hot
(vgl. 'bles' en 'kaal')
("Een haarsny kos sewentig Rand" = Een keertje knippen kost zeventig Rand)
haas
haas - zn
Opm.: vaak worden ook konijnen hiermee aangeduid. In dat geval gebruikt
men wel het verkleinwoord hasie.
haasbek - zn
hakiesdraad - zn
mond waarbij de twee voortanden ontbreken
prikkeldraad
grote, dikstammige, cactusvormige doornenboom met krans van
kronkelige blaren bovenaan de stammen.
halfmens - zn
halfpad
handsak
handuit: ~ ruk
hanetree(tjie) - zn
hanteer - ww
Deze boom groeit in het Namakwaland / Boesmanland: Pachypodium
namaquanum (familie Apocynaceae)
halverwege
handtas
uit de hand lopen
("Die situasie het heeltemal handuit geruk.")
kleine afstand; 'kippenendje'
omgaan met, behandelen, met de handen beroeren, (aan)pakken, hanteren; besturen, beheren
"Sulke probleme sal ons intern hanteer" = "Wij zullen zulke problemen intern
afhandelen"
"Kom ek vertel jou hoe om 'n depressie te hanteer" = "Laat me je zeggen hoe
je kunt omgaan met een depressie"
"Jy hanteer kritiek nogal sleg" = "Jij gaat nogal slecht om met kritiek"
"Dit is hoe jy volstruise hanteer" = "Zo pak je struisvogels (aan)"
"Moenie die ou boeke sonder handskoentjies hanteer nie" = "Je moet niet de
oude boeken zonder handschoentjes aanpakken/aanraken"
"Hy weet hoe om sy gereedskap goed te hanteer" = "Hij weet hoe hij het
gereedschap goed kan hanteren"
"Die direkteur het die vergadering met geduld hanteer" = "De directeur heeft de
vergadering met geduld bestuurd/beheerd."
We mogen we ervan uitgaan dat we met een anglicistische leenvertaling vanuit
het Engelse werkwoord to handle te maken hebben.
hang - zn
hardegat - zn
hardekwas - zn
hardewarewinkel - zn
hare sny
harsings - zn
hartebees - zn
helling (v. berg)
doorzetter, koppig iemand, gehard iemand
doorzetter, koppig iemand, moeilijk iemand
ijzerhandel
Vgl. Eng. 'hardware store'
haar knippen
hersens (meestal dierenhersenen - al of niet als consumptie)
hartebeest (soort grote antilope, verwant aan gnoe)
Opm.: hart- is een Nederlandse gewestelijke vorm van hert. De Boeren
vergeleken het dier dus met een hert. Naast dit woord heeft in Afrika het woord
hert alleen als geleerd woord voortbestaan, en is het vervangen door het
woord takbok (zie aldaar), wat zich laat verklaren door het feit dat herten
oorspronkelijk niet in Zuid-Afrika voorkomen.
hartbeeshuisie - zn
eenvoudig pioniershuisje
hartlam - zn
hartomleiding - zn
lieveling
bypass
verdriet, hartzeer (zn); triest, verdrietig, droevig, tragisch (bijv.
nw.)
hartseer - zn, bijv.nw.
Opm.: Let op het ontbreken van de koppel-e: hartebees vs. hartbees-
Anders dan in het Nederlands, wordt 'hartseer' in het Afrikaans ook als
bijvoeglijk naamwoord gebruikt:
"Dit is 'n hartseer geskiedenis" = "Dit is een droevige geschiedenis"
"Ek voel diep hartseer oor die ellende waarin my mense lewe." = "Ik voel me
erg verdrietig om de ellende waarin mijn mensen leven."
Het Afrikaans kent ook het zelfstandige naamwoord 'verdriet', maar 'verdriet'
verschilt in nuance met 'hartseer'. Waar 'hartseer' geassocieerd wordt met
oprecht gevoeld verdriet, daar wordt 'verdriet' meer in verband gebracht met
uiterlijk verdriet, ja zelfs met dronkenmansverdriet: 'dronk verdriet'.
hartversaking - zn
hasielip - zn
heeltemal
hegsteke - zn
hekel (spreek uit als 'hiekel')
hekelpatroon - zn
hekelpen
hekkiesloop
hemp - zn
herd - zn
het ophouden van het functioneren van het hart; hartstilstand
hazenlip
Vgl. haasbek
helemaal
hechtingen
haken
haakpatroon
haaknaald
hordenloop
shirt, hemd, overhemd
open haard, open vuur
(vgl. 'kaggel')
heuning - zn
heuningbos - zn
heuwel - zn
hiëna - zn
hierdie
hierlangs
hings - zn
hingsel - zn
hittetè
hoed - zn
hoefyster - zn
hoek - zn
hoeka bijv.nw
honing
honingbos: bossies (zie aldaar) van het geslacht Cyclopia, waar
zoete thee van getrokken kan worden
heuvel
Vgl. 'koppie'
hyena
deze, dit (vgl. verder 'daardie')
in de omgeving
hengst
hengsel
bijna, op een haar na
hoed, pet
hoefijzer
plek waar twee bergen samenkomen en een hoekvormige
overgang vormen
van vroeger, wat eens was
"Hulle was hoeka helde"
heel lang geleden, van heel vroeger (ook: uit hoeka se dae / tyd)
hoeka bijw.(uit ~ se dae)
"Dié woord het hoeka ontstaan"
(Vgl. toeka)
hoekom
waarom
kip
hoender - zn (mv hoenders)
Opm.: Het woord 'kip' is in het Afrikaans onbekend. Wel zegt men 'kiep-kiep'
als men kippen roept. Dit doet men ook in Nederland, maar daar heeft de
roepnaam tevens het oorspronkelijke zelfstandige naamwoord 'hoen'
verdrongen. Denk aan de Nl. uitdrukking 'Een knuppel in het hoenderhok
gooien' (waarmee een kippenhok bedoeld wordt), om herinnerd te worden aan
het oorspronkelijke Nederlandse woord voor 'kip'.
kippenvlees/-vel
hoendervleis - zn
"Ek het hoendervleis gekry toe ek ons pragtige volkslied in Nederland hoor
sing het" = Ik kreeg kippenvel toen ik ons prachtige volkslied in Nederland
hoorde zingen)
hoërskool - zn
hoëtroustel - zn
hof - zn
hofsaak - zn
middelbare school
hifi-installatie
rechtbank
rechtzaak
ho maar! stop! hu!
hokaai! (plat; tegen dieren)
hokslaan
hoof - zn
Vgl. 'troei', 'tru'
geweld beteugelen, onderdrukken
chef, hoofd; (bijv. gebruikt, zoals in 'die hoofgebou' of 'hoofbladsy') voornaamste, hoofdOpm.: Net als bij het woord 'gunsteling' en 'gunsteling-' is het soms onduidelijk
of 'hoof' als bijv. nw. of als zelfst. nw. gebruikt wordt omdat men het vaak niet
aaneenschrijft met het zelfstandige naamwoord dat erop volgt. Ook deze
verwarring heeft een anglicistische oorsprong (denk maar aan 'hoofbladsy' en
'hoof-bladsy' of 'hoof bladsy' waarbij de laatste versie een geleende morfologie
uit het Engels is: 'main page' is een bijv. nw. + zelfst. nw.).
Vgl. 'kop'
hoofbrekings - zn
horing - zn
hoofdbrekens
hoorn, gewei; mann. lid in erectie (plat)
hot - bw
links (term bij ossendrijven)
Vgl. 'doring'
Vgl. 'haar
kleurling
hotnot - zn (racistisch)
Opm.: Dit woord werd oorspronkelijk gebruikt om er de inheemse Hottentotten
mee aan te duiden, maar wordt nu gebruikt als schertsende term voor de
Kleurlingennatie, die voortgekomen is uit vroege blanke en inheemse
huwelijken en relaties. Wees dus voorzichtig met dit woord.
("Met sy kroeshare lyk jou man darem soos 'n hotnotjie" = Met zijn kroeshaar
lijkt jouw man wel een kleurling)
bidsprinkhaan
hotnotsgot - zn
Opm.: Dit opmerkelijke insect werd zo genoemd omdat in de vroege dagen van
de Kaapse kolonisatie de inheemse Hottentotten dit dier als godheid vereerden
(vervorming van hottentot + god)
mooi vinden; leuk vinden, houden van
hou van
Opm.: Het werkwoord 'houden van' om iemand de liefde te verklaren kan in het
Afrikaans niet met 'Ek hou van jou' uitgedrukt worden. Daar zegt men 'Ek is lief
vir jou'.
Zie verder bij lief wees vir.
gevilde dierenhuid
huid - zn
huishouding - zn
huisie (knoffelhuisie) - zn
hulle, hul
hupstootjie - zn
huurmotor - zn
huwelikslisentie - zn
hysbak - zn
hysbak ry
Opm.: Het Nederlandse woord huid wordt in het Afrikaans doorgaans vertaald
met 'vel'. Dit verschil met Nederlands komt overeen met de betekenis van de
Engelse woorden hide (= Afr. 'huid') en skin (= Afr. 'vel'). Ter illustratie: kopvel
en velkleur worden vertaald met 'hoofdhuid' en 'huidskleur'.
Vgl. 'vel' en 'kopvel'
huishouden
teentje knoflook
zij, hun, hen (pers.vnw, 3e pers. mv.); hun (bez.vnw.)
een duwtje in de goede richting (ook fig.)
taxi
Opm.: soms zegt men in het Afrikaans ook 'taxi' (spr. teksie), maar dit betekent
vooral ook 'minibus waarin zwarte pendelaars vervoerd worden'. Deze teksies
zijn berucht omdat ze vaak overvol zijn en als ongeleide projectielen de
verkeersregels overtreden.
trouwboekje
lift
in de lift zitten
I
ietermagog/-magô - zn
schubdier
ergens
iewers
Opm.: 'êrens' is gebruikelijker en drukt een minder onbereikbare plek of idee
aan
Zie ook: 'êrens'
impak - zn
implementeer
invloed
uitvoeren; ten uitvoering brengen
beraad; probleem
indaba - zn
("Ek het geen motor om my kind in te vervoer nie."
-"Dit is jou indaba."
= Ik heb geen auto waar ik mijn kind in kan vervoeren.
- Dat is jouw probleem.)
inflammasie - zn
ingee
(long-)ontsteking
ingeven; kapot gaan; zwichten
inhandig
indienen)
inklim - ww
instappen (auto, bus, trein, e.a.)
inkopies - zn
inkopies doen
boodschappen
winkelen, boodschappen doen
openluchtbioscoop
inryteater - zn
Vgl. Eng. 'drive-in theatre'
(zie ook bij veldfliek)
insetsel - zn
inspuiting - zn
inteken - ww
Vgl. Eng. 'to give in'
Vgl. Eng. 'to hand in'
Vgl. 'inklim'
(korte) bijdrage of verslag in tv-programma, ingelast filmpje, (ZuidNederlands) duidingsfilmpje
injectie
zich registreren (als lid, begunstiger, rekeninghouder,
internetforumlid, enz.)
Vgl. Eng. 'to sign in'
inteken op - ww
zich abonneren op
intou
inslepen (van auto)
invoer; uitvoer
ipekonders - zn
importeren; exporteren
(ingebeelde) kwaaltjes
Vgl. Eng. 'to sign in on'
Vgl. Eng. 'to tow in'
J
ja, jaag
jaap, japie - zn (scherts.)
jaer - zn
jag
jags (plat)
jagter - zn
jakkals - zn
jakopewer - zn
jakopregop - zn
jammer: ek is ~
jammer
jammer kry
ja-nee
zich haasten
Afrikaner
coureur, renner
jagen
geil
Vgl.: 'katools'
jager
jakhals
blauwkeeltje (roze zeevis uit de orde der schorpioenvissen Helicolenus dactylopterus)
plant met felgekleurde, dahlia-achtige bloemhoofdjes: Zinnia
peruviana
het spijt mij
sorry, jammer
medelijden hebben met iemand
tussenwerping nou ja, eh... nou..., ach...; zeker; stopwoord of
woord dat een zin aankondigt
"Wil enigiemand 'n bietjie wyn hê?"
-"Ja-nee, dit sal lekker wees!"
ja-nee wat!
janfiskaal (ook:
fiskaallaksman) - zn
japtrap: in 'n ~ - zn
Japannees - zn
een verzuchting: "ach ja..."
klauwiersoort (Larius collaris)
(vgl. 'laksman')
in een ommezientje, in een handomdraai
(zelfst. nw.) Japanner; Japannese = Japanners; (bijv. nw.)
Japans.
("Ek hou baie van Japannese kos").
uitroep van verbazing, verrassing: 'jeetje'. (< Here)
jirre!
jitte! / jinne!
jô!
Jo'burg
Joetênnedzjie (gemeenz.,
scherts.; nep-Engels)
joggie - zn
jol - zn (spreek uit als dzjol)
jong - zn
Opm.: Hoewel 'jirre' zowel qua betekenis als qua vorm een ander woord dan
'Here' is, nemen veel Afrikaners aanstoot aan dit 'ydellike gebruik van die
naam van God'. Maar een taal verandert, en woorden kunnen zich zodanig
ontwikkelen dat ze een bijbetekenis krijgen, wat uiteindelijk leidt tot een ander
woord met een andere semantiek en morfologie, naast het oorspronkelijke
woord.
(vgl. 'jitte' en 'jinne')
uitroep van verbazing, soort stopwoord (< hede)
uitroep van verbazing
Johannesburg
Uitenhage (stadje noordelijk van Port Elizabeth
jockey (in paardensport); bediende (doorgaans bij een
tankstation; pompjoggie = tankstationbediende - d.i. leenvertaling
van Am. Engels gas jockey)
feesten, uitgaan, 'de buurt onveilig maken', enz.
(Vgl. 'rinkink')
gekleurde jongeman; verzuchtende aanspreekvorm voor
vrienden, kennissen
"Het jy nou ook vakansie?"
-"Nee, ek is maar besig, jong."
(Zie ook hieronder)
nou, kijk eens, tja, enz.
jong - tussenw
"Is daar nog kamers beskikbaar vir ons twee?"
- "Jong, ons is volgeboek, maar die hotel langsaan het nog kamers
beskikbaar."
jool - zn
studentenfeest
baantje (mv. baantjes)
jop - zn (mv. joppe)
Vgl. Eng. 'job'
jukskei - zn (mv. joppe)
op jeu de boules gelijkend traditioneel Boerenspel waarbij een
houten rechtopstaande stok omvergegooid moet worden met
houten onderdelen van een ossenjuk
juts (< Eng. judge) - zn
(weinig gebr.)
rechter
K
kaal
naakt
kaalbas
met bloot bovenlijf
(vgl. 'kaal', 'bles', 'bleskop' en 'haarloos')
kaalgat gemeenz.
kaalvoet - bn
kaalvoet klonkie - zn
kaaskop / kasie - zn
(scherts.)
kabeljou - zn
spiernaakt, poedelnaakt
"By die Go-Go Lounge dans die meisies kaalgat op die tafels"
met blote voeten
Vgl. Eng. 'barefoot'
schertsende benaming voor iemand die op blote voeten rondloopt
Nederlander
zeevis (niet de Europese kabeljauw) (Argyrosomus coronus, A.
inodorus en A. japonicus)
Deze vissen zijn niet verwant aan de kabeljauw, maar eerder aan de baarzen
en makrelen, tonijnen, barracuda's en cichlides (familie Perciformes; de
baarsachtigen)
kaf - zn
onzin
kaggel - zn
open haard
kaiings - zn
kaantjes; kiezelstenen in een 'kaiingsveld'
kajuit; cabine (van auto's, ruimtevaartschepen, enz.)
kajuit - zn
Net als bij woorden als 'kooi' en 'kombuis' laat dit woord zien dat de oorsprong
van het Afrikaans in de taal van de zeventiende-eeuwse zeevaarders ligt
(vgl. 'lugwaardin')
(Vgl. 'bog')
(vgl. 'herd')
kajuitbeambte - zn
steward(-ess)
kalklig - zn
flitslicht, voetlicht
kamas (mv kamaste) - zn
kameelperd - zn
beenkap (gedragen om de kuit tijdens het paardrijden)
giraffe
vlinderbloemige met tweelobbige, hart- / kameelhoefvormige
blaren (fabaceae)
kameelpootboom - zn
kamma, kamtig, kammakamma, kammakastig
(bijv.nw. en bijw.)
kameelperd - zn
kamp (gaan kamp)
(vgl. 'lugwaardin')
Vgl. Eng. 'limelight'
zogenaamd (alsof)
Vgl. 'kwansuis'.
kant (se ~)
giraffe
kamperen
vlinderloemig struikje (bossie) met rode bloemen (Sutherlandia
frutescens)
patrijsveeraloe (de zeer sterke Aloe variegata)
schrappen, annuleren
rond de klok van, rond, omstreeks
kantgordyne - zn
vitrage
kaperjol - zn
bokkensprong, capriool
zware sneeuw
kapok - zn
Opm.: Net als in het Nederlands van Indonesie zegt men in Afrika 'sneeu'
wanneer het natte, wat fijne sneeuw betreft, en kan men bij heftigere vlokken
'kapok' zeggen. Het woord komt uit het vroegere Maleise oedjan kapok.
kankerbossie - zn
kanniedood - zn
kanselleer
So van agt uur se kant af begin dit reën.
Vgl. Eng. 'lace curtains'
kapokaartappels - zn
karfoefel - ww
aardappelpuree
zn bezwaar
(~ maak = bezwaar maken)
auto (gemeenz.)
flikflooien, vrijen, betasten, erotisch aanraken
karavaan - zn
caravan
karmenaadjie - zn
vers vlees dat men elkaar cadeau doet nadat een dier geslacht is
karnuffel
aanvlijen, zich uit genegenheid tegen iemand aandrukken
Karoo - zn
droog gebied in de Kaapprovincie
mimosa- / acaciasoort met enorme doorns die de aride gebieden
in de Kaapprovincies als biotoop heeft
kapsie - zn
kar - zn
karoodoring - zn
(vgl. 'druk, drukkie' en 'karnuffel')
Vgl. 'woonwa'
(vgl. 'tjops')
(vgl. 'druk, drukkie' en 'karfoefel')
(met name Vachellia karroo / Acacia karroo)
karoodroog
erg droog
dikke deken uit dierenhuiden gemaakt
karos - zn
(werd door de oorspronkelijke bewoners gedragen, maar fungeert nu
decoratief als wandkleedje of vloerkleedje).
karring
schudden, uitvragen, (plat) onanie plegen
karringmelk - zn
karwei - zn
karweier - zn
kasaterwater - zn
karnemelk
vervoeren, transporteren
vervoersmaatschappij
flauwe thee of koffie: "slootwater"
bestseller
kaskraker - zn
kastaiing - zn
kastig
kastrol - zn
katdoring - zn
katjiepiering - zn
katkisasie - zn
katools
kattebak - zn
keelaf sny
(vgl. draad trek)
Zie ook bij 'blitsverkoper'
'kastanje', eig. 'Kaapse kastaiing': inheemse bomen van het
geslacht Calodendrum capensis die enige gelijkenis met de
Europese wilde- en paardekastanje vertonen, maar er niet aan
verwant zijn
zogenaamd
(zie ook bij 'kamma')
soort pan
Zuid-Afrikaanse acaciaboom met doorns (Acacia caffra)
Gardenia (>Maleis 'kacapiring')
catechisatie
("Op Sondae word om vier uur katkisasie aangebied")
erg lichtzinnig, lijp, gestoord, erg flauw; seksueel opgewonden
gedrag vertonend
Dit woord is uit antipathie jegens het katholicisme ontstaan uit het woord
katholiek!
Vgl.: 'verspot', 'mallerig', 'jags'
kofferruimte (in auto), achterbak (in auto)
(iem.) de keel doorsnijden
("Hy het homself met 'n skeermeslemmetjie keelaf gesny")
ken - zn
kennetjie - zn
kêrel - zn
kerkverskrik - bn
kers - zn
kersie - zn
kês
kin
kinderspelletje op straat, met stokjes en touwtjes
vriend (als in 'minnaar')
kerkbevreesd, bang voor de kerk, afkeer van de kerk hebbend
kaars
kers
gestremde melk (zoals het wel gebeurt in heel hete koffie),
gestremd ("die melk het kês geword")
Opm.: Dit woord komt uit de Zuid-Hollandse dialecten: vgl. Katwijks 'kaes'.
kierie - zn
iemand op zijn nummer zetten (vgl. raas gee)
ketting; keten
kietelen
roepwoord voor kippen ("Kiep-kiep-kiep!")
zeer wijdverbreide boom die palmachtig groeit met vertakkingen
en een bolvormige kruin vormt: verwant aan de Schefflera
(vingerplant), Fatsia en de Hedera (klimop): (Cussonia spicata,
e.a.)
(wandel)stok, knuppel
kies - zn (mv.'kieste')
wangholte
kietsie - zn
poes; roepnaam voor kat
sterk, populair gazongras geschikt voor ZA: Pennisetum
clandestinum
zondagse kleren (ouderwets begrip; de kisklere zaten in de
voorkist, onder de bok van de ossenwagen)
gitaar
een mum van tijd; instant-, snel klaargemaakt
kês gee (iemand ~)
ketting - zn
kielie - ww
kiep - zn
kiepersol - zn
kikoejoe - zn
kisklere - zn
kitaar / ghitaar - zn
Vgl. knopkierie
Vgl. maaltand
kits - zn, kits- zn
kitsnoedels = instantnoedels
kitsgemmerbier = instantgemberbier/-ginger ale (snel zelf klaar te maken)
kitsbank - zn
kitsgras - zn
geldautomaat
kant en klare graszoden
oploskoffie
kitskoffie - zn
kitskos - zn
kla
Klaas Vakie - zn
klagte - zn (mv klagtes)
(Opm..: thuis drinkt de Zuid-Afrikaan zelden filterkoffie zoals wij dat in
Nederland en België doen. Hij drinkt de oploskoffie. Gefilterde koffie noemt hij
ook filterkoffie of geperkoleerde koffie, maar die drinkt hij buiten de deur, in
koffiebars of restaurants. Dit breng met zich mee dat er in Zuid-Afrika met
koffie doorgaans oploskoffie bedoeld wordt. Dikwijls drinkt men de koffie
slapper dan in Nederland, vaak nog romiger gemaakt met chichorei. Koffie met
chichorei is poederachtig en koffie zonder chichorei meestal korrelig. Bekende
oploskoffiemerken met chichorei zijn Koffiehuis en Ricoffy.
Vgl. 'sigorei' en 'moerkoffie'.
junkfood, kant-en-klaar-eten
klagen
Klaas Vaak
klacht
klap (hou op of ek gaan jou
klap!)
slaan (in het gezicht, op huid)
klapper - zn
kokosnoot, kokos-
klasdraf
klasdrafsak - zn
klaskamer - zn
klavier - zn
klawerbord - zn
kleefband - zn
kleefbroek - zn
kleinneef - zn
kleinniggie - zn
kleinspan - zn (die ~)
kleintongetjie - zn
klerasie - zn
college lopen
rugzak voor boeken
schoollokaal, klaslokaal; collegezaal
piano
key-board
plakband
legging
achterneef
achternichtje
kleuters
huig
bedrijfskleding, gelegenheidskleding
steen(tje)
klip - zn
(Zie voor uitleg van het verschil tussen de Afrikaanse woorden steen en klip bij
'steen'.
klipdagga - zn
klipperig
klisklawer
klits - ww
klitser - zn
klokkie - zn
uit Maleis 'kelapa'
grote oranje bloeiende lipbloemige uit Zuid-Afrika met verdovende
werking als de stekelige, uitgebloeide bloemhoofdjes gerookt
worden of er thee van getrokken wordt.
Leonotis nepetifolia, Leonotis ocymifolia (ook L. dysophylla).
steenachtig, rotsachtig
ruige rupsklaver (Medicago polymorpha)
klutsen, mixen
mixer
(voordeur-/fiets-)bel
"Sy het die klokkie by die hek gedruk" = Zij drukte op de bel bij het hek.
groep, hoeveelheid, zooi
klomp - zn
"Ons gaan vanaand jol met 'n klomp ouens" = Wij gaan vanavond feesten met
een groep jongens
klompie - zn
klong - zn
klonkie - zn
klop - ww
kloutjie - zn
kleine hoeveelheid
jong kleurling-jongetje (>kleurjong)
ventje
kloppen, verslaan (= winnen)
hoefnageltje, hoefje; levend steentje (plant Lithops)
kniehalteren; iem. of iets in zijn bewegingsvrijheid beperken, iem.
dwarszitten, tegenhouden
knelter, kniehalter ww
kners
kniediepvoordag
"Die Amerikaanse sokkerspan was nogal gekniehalter deur die Spanjaarde se
oorentoesiastiese aanvalle" = Het Amerikaanse voetbalteam werd erg
dwarsgezeten door de overenthousiaste aanvallen van de Spanjaarden
knarsen
in alle vroegte; bij het krieken van de dag
(vgl. 'douvoordag')
knoffel - zn
knoffelhuisie - zn
knopkierie - zn
knypie - zn
koeël - zn
koei - zn
koejawel - zn
koek - zn
koek - zn (plat)
knoflook
teentje knoflook
(wandel)stok met knopvormig handvat
Vgl. kierie
('n ~ sout) snuifje (zout)
kogel
vrouwelijke koe
Opm.: De soortnaam voor de koe is in het Afrikaans bees.
guave (tropische vrucht)
koek, cake, gebakje
vrouwelijk geslachtsorgaan; onderdeel van uitroepen van lichte
schrik (tussenw.)
"Oh koek, ek het hom laat val!" = Oh jee / oei, ik heb het laten vallen!
koekie - zn
koekie seep - zn
koekmeel - zn
koeksister, koeksuster - zn
koeksoda - zn
conservatief meisje
stuk zeep
meel
gevlochten vetkoek, doordrenkt in lichte suikerstroop
natriumbicarbonaat (natrium-waterstofcarbonaat)
frisdrank
koeldrank - zn
Opm.: in het Zuid-Afrikaans Engels zegt men 'cooldrink'. In andere vormen van
het Engels zegt men echter 'soft drink' of 'soda'. Dit is dus een typisch ZuidAfrikaanse term.
koerant - zn
krant
wegbukken, bukkend ineenduiken om niet geraakt te worden
koes ww
koevert - zn
koffietafel - zn
koggel
koggelmander - zn
kokerboom - zn
kokkedoor - zn
kokkerot - zn
kokkewiet - zn
kol - zn
"Moenie koes nie! Ek is ongevaarlik"
enveloppe
salontafel
plagen door iemand na te apen.
Vgl. 'nadoen' en 'na-aap'
soort agame (hagedissoort) met felblauwe kop (Acanthocercus
atricollis)
reusachtige aloesoort uit Richtersveld-streek (Aloe dichotoma)
waar de inheemse Khoi-Sanbevolking pijlkokers van maken
hotemetoot, bobo
kakkerlak
vogelsoort (koekkoekachtige)
middelpunt van een schijf (de roos); stip, ronde vlek; kol (op
paardenhoofd); stukje land
Uitdr.: "Reg in die kol!" = "Precies in de roos!", "Juist!", "Helemaal goed!"
kolf - zn
slaghout (zoals bij cricket)
kolfbeurt - zn
koljander - zn
slagbeurt: de tijd waarin een cricketploeg mag slaan
koriander
kollig - zn
schijnwerper, voetlicht (leenvertaling van Eng. 'spotlight')
Vgl. 'mieliestronk'
Uitdr.: "Dit is vinkel en koljander" = die twee mensen, zaken, zijn hetzelfde
kolwyntjiepan - zn
bakplaat met kuiltjes (soort poffertjespan)
kombers - zn (spr.: 'kombêrs') deken
kombuis - zn
keuken
kombuistee - zn
feestje voor a.s. bruid
kompakskyf - zn
compact disc
konfyt - zn
jam
konka - zn
(olie-)drom
konkoksie - zn
brouwsel
konsert - zn
muziekuitvoering, toneeluitvoering, concert
concertina (kleine trekharmonica; heel populair bij Boeremusiek)
konsertina - zn
Vgl. 'trekklavier'
konsertinabos - zn
kontrapsie - zn
kooi - zn
koorspen - zn
kop - zn
kop uittrek
kophou
kopkrap
kopkool - zn
koppelaar - zn
koppie - zn
kopseer - zn
kopvel - zn
koring - zn
korrelkop - zn
kortliks
Type inheemse vetplant die op een concertina lijkt. (Crassula
marnieriana en C. hottentotta)
in elkaar geflanst maaksel, brouwsel
(ietwat grof) bed, 'nest'; kooi.
("Nou, snuiter kooi toe!" = Nou knul, ga naar je nest!)
koortsthermometer
hoofd
Opm.: kop is het gebruikelijke woord voor het Nl. 'hoofd'. In overdrachtelijke
betekenis moet men het Nederlandse hoofd met 'hoof' vertalen: "Die hoof van
die skool, kerk, regering". Hoof wordt ook gebruikt, maar wordt als deftiger dan
kop gezien: "En die soldate het 'n kroon van dorings gevleg en dit op sy hoof
gesit"
Bij gebruik van uit het Nederlands afkomstige spreekwoorden, gezegden en
vaste uitdrukkingen is het woord alledaags:
Die hoof buig, skud; gawes van hoof en hart; iets uit jou hoof leer; 'n knap,
helder hoof; vir sy misdaad het hy met sy hoof geboet.
Vgl. 'hoof'
terugkrabbelen
het hoofd koelhouden
hoofdbrekens hebben
kool (rode of witte)
koppeling (autotechniek)
kop(-je); rond, solitair heuveltje; kopje (inhoudsmaat)
hoofdpijn
(ook 'hoofpyn')
hoofdhuid
koren (zelfst. nw.)
brompot, mopperaar
kort, in het kort
("Ek sal die onderwerp vanaand net kortliks bespreek" = Ik zal het onderwerp
vanavond alleen maar kort bespreken)
eten
kos - zn
Opm.: kos is 'eten' in de betekenis van 'voedsel' en niet van 'maaltijd'. Zie
daarvoor ete.
kos - ww
kosten
koshuis - zn
kosmaak / kook - ww
kosmos
kostkerwer - zn
tehuis voor schoolgaande kinderen
koken
cosmos (ook in de betekenis van de welig bloeiende, vaak in
noordwest-Zuid-Afrika en Namibië plant van het genus Cosmos)
kostenbesparend artikel
historisch kostuum; ook: deftig damesmantelpakje
kostuum - zn
Opm.: In de omgangstaal kent men het aan het Engels ontleende woord
costume dat als 'kostjum' wordt uitgesproken. Dit betekent echter 'badpak'
kotelette - zn
speklappen
bijhuisje; een meestal uit een verdieping bestaand optrekje op het
erf van een grotere woning. Opm.: volgens het Handwoordeboek van die
kothuis - zn
Afrikaanse Taal (HAT) zou dit woord aan het Eng. cottage ontleend kunnen
zijn. Echter, verwantschap met Nederlands kot, dat 'studentenkamer' en
'armoedig huisje' betekent, is ook te overwegen.
vogelkooi
kou - zn
Opm.: kou als enkelwoord raakt in onbruik. Vogelkooien worden thans eerder
hok of voëlhok genoemd dan kou.
koue - zn
kouvoël - zn
kraamrok - zn
krag - zn
kou(de)
kooivogel; roofarend (Aquila rapex)
positiejurk
stroom (electriciteit); kracht, sterkte
stekker
kragprop - zn
Vgl. Eng. 'power plug'
kragsentrale - zn
krammasjien - zn
krammetjie - zn
krans - zn
kreef - zn (mv.) krewe
kreukelvry
kriek - zn
krieket - zn
krimpvark(-ie) - zn
kroeg - zn
kruie - zn
kuier - zn
kuiergaste - zn
kuiermense - zn
kuierplek - zn
kul
kunstande - zn
electriciteitscentrale
nietmachine
nietje
steile rotswand aan top van berg
kreeft, mv. kreeften
kreukvrij
krekel
cricket
egel (Vgl. 'ystervark')
bar (Vgl. 'kafee')
kruiden (alleen in mv. bestaand)
bezoeken; logeren
gasten; logis
gasten; logis
vakantieplekje
foppen
kunstgebit
artiest, kunstenaar
kunstenaar - zn
("by die North Sea Jazz Festival tree kunstenaars soos Joe Zawinul, Herbie
Hancock, Joss Stone en Hugh Masakela op"). Zie verder bij 'arties'.
kussing - zn
kussen (zelfst. nw.)
kwaad
kwaad
(vgl. 'kwaai', 'vies', 'boos').
slecht, erg, fel
kwaai
("Dit hael kwaai vandag" = "Vandaag hagelt het hard" / "Ek vererg my nou
kwaai" = "Ik zit me ontzettend te ergeren")
Vgl. 'kwaad, 'boos', 'vies')
kwagga - zn
zebra
quasi, alsof
kwansuis
kweek - zn
kwêla
kweper - zn
kweperkonfyt - zn
kwêvoël - zn
("My seun het vanoggend kwansuis skool toe gegaan, maar ek weet dat hy
stokkiesdraai." = "mijn zoon ging vanochtend zogenaamd naar school, maar ik
weet dat hij spijbelt." / "In Brussel kan die mense kwansuis nie Nederlands
praat nie; wel, dis bog" = "In Brussel doen de mensen alsof ze geen
Nederlands kunnen praten; nou, dat is dus onzin.")
Vgl. 'kamma'
kweekgras (hardnekkig, inheems gras)
mee gaan dansen
kweepeer (Cydonia oblonga)
kweeperenjam
vogelsoort (koekkoekachtige: Corythaixoides concolor)
L
laatlam(metjie) - zn
laerskool - zn
Laeveld - zn
nakomertje
basisschool
deel van Oost-Transvaal
flauw, ongezouten
laf
("Daardie Amerikaanse film is vol van lawwe grappe" / "Jy haal lawwe, ou
argumente op.")
Vgl. 'flou'.
laksman - zn
Zuid-Afrikaanse klauwiersoort (Lanius collaris)
landbou-hoewe - zn
huis met groot stuk grond buiten de stad; ook: plot
Afrikaner manier van vrij, maar stijlvol dansen met elkaars armen
gestrekt tegen elkaar, als bij walsen
chagrijnig, met een lang gezicht
langs, naast
langarm - zn
langgesiggerig - bn
Vgl. 'janfiskaal'
langs
"Kom sit langs my, asseblief" = "Kom eens naast me zitten"
Vgl. 'naas'
langsaan
lanklaas
ernaast (bij buren), in de buurt ("Die huis langsaan")
lang geleden (ek het hom lanklaas gesien)
groot rieten afdak
lapa - zn
Tegenwoordig vooral te vinden in tuinen, bij vakantiehuizen, in wildsplase /
game lodges: het is een een grote strooien luifel die als barbecuehuisje of
openluchtfeestruimte dient
lappie - zn
Lappies
lappieskombers - zn
laslappie - zn
leer - zn
lapje; vaatdoek
bijnaam voor mensen met de achternaam Labuschagne
lappedeken
patchwork
le(d)er; (trap-)leer
leër - zn
lêer - zn
leerder, leerling - zn
leisels, teuels - zn
lekkergoed - zn
lekkerkry
lem - zn
lemmetjie - zn
landmacht, legereenheid
map, dossier; bestand
leerling
teugels
snoepgoed
leedvermaak hebben
lemmet (v.e. mes)
limoen
lemoen - zn
sinaasappel
Vgl. 'lemoen', 'suurlemoen'
Vgl. 'lemmetjie', 'suurlemoen'
dominee
leraar, dominee - zn
Opm.: het Nederlandse woord 'leraar' moet naar het Afrikaans met
'onderwyser' vertaald worden
lessenaar - zn
leuen - zn
liasseer
liasseerkabinet - zn
liefie (my liefie) - zn
liefling - zn
liefs nie
bureau, lessenaar
leugen
opbergen van papieren dossiers, documenten, enz.
archiefkast
vriendin (minnares), liefje
lieveling, favoriet
liever niet
houden van
lief wees vir
liewer(s)
likkewaan - zn
lisensie - zn
loerie - zn
loesing (loesing kry / gee) zn
lokasie - zn
lol
loods - ww
loodskomitee - zn
looi ww
("Ek is lief vir jou" = Ik hou van jou)
Opm.: Het Nederlandse "Ik hou van jou" klinkt in het Afrikaans heel wat minder
echt. Daar betekent 'Ek hou van jou' "Ik vind je aardig". Net als het
Nederlandse "Ik houd van bloemen" of "Ik houd van boerenkool".
(Vgl. 'hou van')
eerder, bij voorkeur
leguaan (grote hagedisachtige)
vergunning
lori (vaak kleurrijke koekkoekachtigen met kuif, die tot geslachten
als Tauraco en Corythaixoides behoren)
afranseling
township (grote zwarte woonbuurt)
pesten, plagen, sollen, tegenslag geven
("Naas Botha is 'n sterk man met wie daar nie sommer gelol moet word nie" =
Naas Botha is een sterke man die niet met zich laat sollen." / Lollery = plagerij /
"Kwaai ryp lol landbou" = "Strenge vorst plaagt de landbouw").
Vgl. 'terg', 'pla', 'neul'.
organiseren
organiserend comité
iem. ervan langs geven, iem. aanpakken (ook figuurlijk)
"Die Nederlandse sokkerspan het die Engelse sokkerspan gelooi" = De
Nederlandse voetbalploeg heeft de Engelse voetbalploeg ervan langs gegeven
"Mugabe looi Britse regering oor imperialistiese gedrag" = Mugabe pakt Britse
regering aan vanwege haar imperialistische gedrag
snel lopen, weggaan
loop - ww
Vgl. 'stap'
"Ek gaan nou loop" = "Ik ga nu weg"
lorrie - zn
vrachtauto, vrachtwagen
lorriedrywer - zn
vrachtwagenbestuurder
los bijv. nw.
los
loslaten, laten, achterlaten, laten gaan, iemand verlaten; je
handen ergens vanaf trekken, iets voor gezien houden, iets niet
(meer) doen, iets opgeven
los ww
Vgl. 'trok'
Vgl. Eng. 'lorry driver'
Opm.: 'los' wordt in het Afrikaans veel meer gebruikt dan het equivalent 'lossen'
in het Nederlands. De betekenis van het woord is namelijk danig uitgebreid.
Bijvoorbeeld:
"Nee, toe los ek dit maar." = Nee, toen trok ik mijn handen ervan af; Nee, toen
liet ik het maar voor wat het was
"Los dit!" = Blijf af! / Laat dat!
"Jy het my gelos!" = Je hebt mij verlaten!
"Los die sonde en jy sal 'n beter christen wees" = Zondig niet meer en je zult
een beter christen zijn
"Ek los my vrou by die huis" = Ik laat mijn vrouw thuis
"Los maar 'n boodskap op die voicemail" = Laat maar een bericht achter op de
voicemail
"Los die baadjie maar daar" = Laat het jasje maar daar
Het ziet ernaar uit dat het werkwoord los de betekenissen van het Engelse
werkwoord to leave heeft aangenomen, als het zowel 'loslaten' als 'verlaten,
achterlaten' betekent. De betekenissen 'iets niet (meer) doen' en 'iets voor
gezien houden' stroken hier echter niet meer mee en lijken Zuid-Afrikaanse
innovaties.
Vgl. 'uitlos'
loseer - ww
logeren
losieshuis - zn
pension, kosthuis
lenig
loslittig
Opm.: Het woord 'lenig' bestaat wel in het Afrikaans - met dezelfde
betekenissen als in het Nederlands - maar is ongebruikelijk en deftig.
lugbesoedeling - zn
lugdiens - zn
lughawe - zn
lugredery - zn
lugreëling - zn
lugwaardin - zn
luislang - zn
luchtverontreiniging
luchtvaartmaatschappij
vliegveld
luchtvaartmaatschappij
airconditioning
stewardess
boa, python; generische naam voor wurgslang
struik met zure vruchten met grote pit: loquat, Japanse mispel,
neffel
(Eriobotrya japonica)
lukwart - zn
Zie ook 'tuis gaan' en 'oorslaap'
M
maag - zn
maag, buik
Opm.: In het Afrikaans gebruikt men vaak 'maag' waar het Nederlands buik zou
gebruiken.
"Ek doen oefeninge vir 'n plat maag" = "Ik doe oefeningen voor een platte
buik."
maagwerking - zn
maaiers - zn
maak ww
diarree
maden (larven)
doen
'Wat maak jy?' = Wat ben je aan het doen?
merk
maak - zn
motormaak = automerk / "Watter maak is die mees gebruikers vriendelik?" =
Welk merk is het meest gebruikersvriendelijk?
maaltand - zn
kies
maalvleis - zn
maanhaar / maanhare - zn
gehakt
manen (lange haren in de nek van een mannetjesleeuw of paard)
maatschappij, zaak (bedrijf)
maatskappy - zn
maer - bn.
maermaakpille - zn
maermerrie - zn
magtag!
makietie - zn
maklik
Vgl. 'kies'
maatskappymotor = auto van de zaak
mager
vermageringskuur
scheenbeen
jeetje!
feestje
(ge-)makkelijk, niet moeilijk
Vgl. gemaklik, gerief
gek, gestoord
mal
Opm.:mal klinkt in het Nederlands nogal speels en vrouwelijk, maar in het
Afrikaans heeft het een echt negatieve betekenis, te vergelijken met de
betekenis van 'gek' van het Engelse woord mad.
malhuis - zn
gekkenhuis
mallerig
melig, gekkig, flauw
malva - zn
malvalekkers - zn
Geranium (Pelargonium spp.)
marshmallows
zeer sterke vruchtenbrandewijn, vooral gestookt in de Transvaal,
met een alcoholpercentage van rond de 64%
mampoer - zn
Vgl. 'groendakkies'
Vgl. 'verspot', 'katools'
Vgl. witblits
manewales - zn
kuren, grillen, capriolen
amandelen (tonsillen)
mangels - zn
Opm.: Ook het woord 'amandel' kent men in het Afrikaans, maar dit is de boom
en de steenvrucht waarvan de pit eetbaar is als noot (Prunus dulcis).
mannekyn - zn
mannetjiekat - zn
mannetjieleeu - zn
mansbaadjie - zn
mansklerewinkel - zn
mansuitruster - zn
mannequin
kater (van een kat)
mannetjesleeuw
colbert
herenmodezaak
herenmodezaak
maplotter - zn
massief - bijv.nw.
Matie - zn
Matieland - zn
matriek, matrikulasie - zn
matrieks - zn
matrikuleer
matrone - zn
mat - zn
meelblom - zn
meenthuis - zn
meisieskool - zn
melkbos - zn
melkskommel - zn
melktert - zn
mengsel - zn
bewoner van een plot (plot is een stuk land om een huis op te
bouwen)
massief; enorm (deze tweede betekenis is een leenvertaling v.
Eng. massive)
student van de Universiteit Stellenbosch
de campus van de Universiteit Stellenbosch
FONT SIZE="-1">Zie ook 'Eikestad'
schooldiploma (vergelijkbaar met VWO-diploma)
laatste-jaarsstudenten
het matriekdiploma behalen
hoofdzuster
vloerkleed, tapijt
bloem (kookwaar)
alg. bungalowachtig huis (townhouse), luxe 'dupleks'
meisjesschool
wolfsmelksoort (struikachtige soorten van de geslachten
Euphorbia en Asclepias)
milkshake
taart van melk-, eierdooier- en kaneelvulsel
mengsel; (medisch, giftig) drankje; mix (bakmix, kookmix, enz)
"Drink nou jou medisynemengsel en jy sal gou beter voel"
mens; men; iemand
mens - zn
mensig (hoor)! tussenw.
merk (boeke)
meul - zn
miesies - zn
middagete - zn
Opm.: Let vooral op het bijzondere gebruik van dit woord in de betekenis van
het Nederlandse 'men':
"'n Mens kan jou maklik misgis as jy moeg is" = "Men kan zich makkelijk
vergissen als men moe is."
'n Mens wordt dus in de zin vervolgd met de jy-vorm. Het woord 'men' kent
men niet in het Afrikaans. Gebruik dus altijd ''n mens'.
mijn hemel!, jeetje!
nakijken; corrigeren
Vgl. Eng. 'to mark'
molen
aanspreekvorm en benaming voor de blanke vrouw des huizes
Vgl. 'oumiesies'
mieliestronk - zn
lunch
strookje gras op ongeasfalteerde weg op de plek waar de wielen
niet de grond raken: middenbermpje
maïs
maïsmeel
maïsoogst
maïspap
maïskolf
mierkat / meerkat - zn
mierleeu - zn
stokstaartje (Z.A. mungoachtige: Suricata suricatta)
mierenleeuw
middelmannetjie - zn
mielie, mielies - zn
mieliemeel - zn
mielie-oes - zn
mieliepap - zn
Vgl. 'kolf'
Myrmeleon - netvleugelig insect waarvan de larve de mieren vangt die in de
door hem gemaakte kuiltjes in het zand vallen.
mik - zn, ww
mikrogolfoond - zn
mis - zn
misgis (jou ~) - ww
misoes - zn
MIV - zn
modeparade - zn
moedverloor - bn
moeg
moenie
moer - zn
moer!
moerkoffie - zn
moffie (neerh.) - zn
moffieslaan
moltrein - zn
mond - zn
mondering - zn
môre, more
moroeti - zn
mors - ww
morsjors - zn
mos - zn
mos - bw
zn gaffelvormige tak, haak van telefoon (vaak mikkie); ww mikken
magnetron
Vgl. Eng. 'microwave oven'
mest (zn); mis (bw)
zich vergissen
misoogst
HIV (MIV = Menslike Immuniteitstekort Virus)
Vgl. 'vigs'
modeshow
wanhopig
moe (moeë, moeër; moeste)
niet...! (niet aanraken! = moenie daaraan vat nie!)
droesem; moer; moeder, baarmoeder, pootaardappel
uitroep van bewondering, verbazing (dikw. 'moerrrrr')
koffie toebroek (met de prut er nog onderin)
poot, flikker, homo
potenrammen
metro
mond, monding (v. rivier)
uitrusting, uniform
morgen
predikant, zendeling
morsen, verspillen; met iemand ~= met iemand sollen
Opm.: In het Afrikaans komt 'mors' veel vaker voor omdat het 'verspillen' is.
Geld en tijd morst iemand als hij het aan iets onwaardevols besteedt of als hij
er te kwistig mee omgaat. Waarschijnlijk heeft de betekenis 'met iemand sollen'
in de zegswijze om met iemand te mors onder invloed van het Engels zijn
beslag gekregen (vgl. "Don't mess with me!").
Vgl. 'gemors'
knoeipot
mos
immers, zoals je weet, toch, dan ook, nou eenmaal, inderdaad
Mos is een bijwoord van modaliteit, dat ontstaan is uit het Nederlandse
immers. Hier volgen enkele zinnen die het gebruik ervan pogen te
verduidelijken:
"Mense verskil mos maar"= Mensen verschillen nou eenmaal
"Jy weet mos ek hou nie van sterk gegeurde kos nie, so hoekom kerrie jy die
afval vir my?" = Je weet toch dat ik niet van sterk gekruid eten houd, dus
waarom doe je kerrie in het afval?
"Katte dink mos altyd hulle is die baas van die huis" = Katten denken
immers/toch/inderdaad altijd dat zij de baas in huis zijn
In sommige sociolecten, zoals onder Bruinmense in de Kaap, dient mos soms
als manier om groepssolidariteit te kweken, en heeft het woord in die gevallen
zijn modaliteitsfunctie verloren.
mossie - zn
mus (Passer spp.)
Vgl. mus
motor(kar) - zn
auto
motorfiets - zn
motorhawe - zn
motorhuis - zn
motoris - zn
muf
motor
garage (reparaties)
garage (bij het huis)
automobilist
beschimmeld; (zelfst. nw.) schimmel
beschimmelen, schimmelen
muf ww
("Nee, ek hou nie van kaas wat gemuf het nie. Los maar die Roquefort en
Danish Blue.")
Vgl. enjin
knut, knutje / knutten, knutjes
muggie / muggies - zn
munisipaliteit - zn
murasie - zn
murg - zn
Opm.: 'Muggies zijn geen echte muggen, maar knutten; dit zijn veel kleinere
insecten die niet steken, maar bijten. Ze brengen ziekten over, zoals blauwtong
(Culicoides spp.). Wat mug is in het Nederlands, is 'muskiet' in het Afrikaans.
"Muggies veroorsaak bloutong by skape." = "Knutjes veroorzaken blauwtong
bij schapen."
Vgl. 'muskiet'
gemeente (vgl. Eng. municipality)
vervallen gebouw; rulne
merg
Opm.: 'Merg' bestaat ook in het Afrikaans, doch enkel in overdrachtelijke zin:
"In die merg van ons gebeente, in ons hart en siel en gees" (C.J.
Langenhoven); "Ek is 'n Afrikaner in merg en been." = "Ik ben een Afrikaner in
hart en nieren."
murgpampoentjie - zn
murgpeer - zn
courgette
avocado
muts
mus - zn
:Vgl. 'mossie'; de Nederlandse bruine zangvogel wordt in het Afrikaans 'mossie'
genoemd.
muskiet - zn
mug
muurpapier - zn
behang
muurprop - zn
stekker (stopcontact)
muwwerig
muf, schimmelig
my maggies!
uitroep van verbazing
my wêreld!
uitroep van verbazing
Vgl. muggie / muggies
Vgl. Eng. 'wallpaper'
Vgl. Eng. 'wall plug'
Vgl. 'muf'
Vgl. 'mensig'
Vgl. 'mensig'
N
na
dichtbij (na aan mekaar wees = dicht bij elkaar zijn/liefhebben)
na-apen, imiteren.
na-aap
"Hy mag dalk goed klavier speel, maar ek merk die heeltyd dat hy net ander
klavierspelers na-aap." = "Hij zal wel goed piano kunnen spelen, maar ik merk
dat hij alleen maar andere pianisten imiteert"). Vgl. 'koggel en ' nadoen'
naai
naaldekoker - zn
naaldwerk doen
naand / naandsê
naartjie (ook: nartjie) - zn
naas
naaien; (plat) geslachtsgemeenschap hebben
libelle; waterjuffer
naaien
goedenavond
mandarijn
naast (behalve)
("Naas 'papier' sê die Kapenaar soms ook 'pampier' in Afrikaans.")
dichtbij
naby
("Naby Cradock lê die dorpie Kookhuis.")
Opm.: in tegenstelling tot bij het Nederlandse equivalent nabij ligt bij dit
Afrikaanse woord de nadruk op de eerste lettergreep: náby.
naderen; benaderen
nader - zn
nadoen
Opm.: het Nl. letterlijke naderen en het overdrachtelijke benaderen zijn in het
Afrikaans samengevoegd in het werkwoord nader. Bijvoorbeeld:
("Die manne het die vyand se kamp genader." = De mannen naderden het
vijandelijke kamp)
("Hy het my nie daaroor genader nie" = Hij heeft mij niet daarover benaderd)
nadoen (in de zin van iemand ergens in evenaren, of iets in
navolging van een ander doen. Dus niet in de zin van 'na-apen' of
'imiteren'; zie daarvoor 'koggel' en 'na-aap').
("Jou doring. Daar is niemand wat jou kan nadoen nie." = "Je bent een kei. Er
is niemand die jou (dit) kan nadoen.")
nael - zn
nagereg - zn
Nagmaal - zn
narsing - zn
nartjie (ook: naartjie) - zn
nasionale pad - zn
naskeermiddel - zn
navorsing - zn
navrae - zn
naweek - zn
nagel
navel; kruidnagel
(opmerkelijk homoniem!)
dessert, toetje
H. Avondmaal
narcis
mandarijn
autosnelweg
aftershave
wetenschappelijk onderzoek
informatie; inlichtingen
weekend
nederzetting
informele ~ = illegale krottenwijk, illegaal, gemeenschappelijk
woonkamp
nedersetting - zn
Opm.: "Informele nedersetting" is de officiële en eufemistische benaming voor
een plakkerskamp (zie aldaar). Overal in Zuid-Afrika treft men rond steden en
dorpen zulke opeenhopingen van tenten, golfplaathutjes en barakken aan,
waar de armsten in leven. Er bestaan zwarte en blanke 'informele
nederzettingen'. Een bekend kamp met hoofdzakelijk Afrikaners staat in het
Kroningspark, in Krugersdorp. Mensen zijn er vaak verstoken van elementaire
sanitaire voorzieningen.
naeltjie - zn
Voorbeeld: "'n Twee maande oue baba is in die bosse naby die Philippi-Oos
informele nedersetting gevind, het die polisie in Kaapstad Dinsdag gesê."
Vgl. 'plakkerskamp' en 'plakker'
nee; nou ja, eh... nou..., ach... (= woord waarmee men antwoord
op vraag naar iemands gesteldheid aanvangt)
nee
nee dankie
nee wat
neffens
nè? tussenw.
nek - zn
nes - bijw
nes - zn
nesskop
net - bijw
netbal - zn
netjies
net-net, amper nie
netnou
neuk
neul
neut - zn
nieregeringsorganisasie - zn
nikswerd
noem-noem - zn
noenmaal - zn
nog
Het woord 'nee' is soms een stopwoord als het volgt op een vraag als "Hoe
gaan dit?":
Hoe gaan dit met jou?
Nee, dit gaan goed, dankie. of Nee, ek kan nie kla nie.
De achterliggende gedachte is dat men in plaats van 'nee' vaak 'ja-nee' (zie
aldaar) pleegt te antwoorden. In dit geval is 'nee' dus een afkorting van 'ja-nee',
en niet een ontkenning.
liever niet, voor mij hoeft dat niet
nee hoor (minder sterk dan 'ag nee')
naast (zie verder; 'langs')
hè?, nietwaar? toch?
"Dit is stormagtig in Port Elizabeth. Dié stad word "The Windy City" genoem.
Toepaslik, nè?"
"Wonderlik. Egte sjampanje, dankie! Jy het geweet dat ek van vonkelwyn hou,
nè?""
nek, bergpas
net als (samentrekking van 'net soos
Vgl. 'soos'
nest
nestelen
slechts, alleen maar
Vgl.: 'net-net'
basketbal
netjes
amper
zojuist, zo meteen
slaan, beuken
Vgl. 'fok', 'naai'.
zeuren
noot
Vgl. 'dop')
non-gouvernementele organisatie, niet-gouvernementele
organisatie, NGO
nutteloos
("Hy is 'n nikswerd vent")
doornenstruikje uit de Karoo met besjes die, als je erop kauwt,
net kauwgom zijn:
Carissa bispinosa en C. haematocarpa
middagmaal
nog; meer; ooit; woord dat in combinatie met 'altyd' een
versterking teweegbrengt
'Die beste potjiekos nog!' = de beste potjiekos ooit!
"Wil jy nog koeldrank hê?"= Wil jij meer frisdrank?
'Die reis wat jy nog altyd wou maak' = De reis waar je altijd van gedroomd had
om die te maken
"My hand-oog-koördinasie was maar nog altyd tog so flippen sleg!" = Mijn
hand-oogcovrdinatie is eigenlijk altijd zo verdomd slecht geweest!
Vgl.: 'steeds'
nooddienste - zn
noodhulp - zn
noodpersoneel - zn
nooi - zn
nooi - ww
nooiensvan - zn
nommer - zn
nota - zn
nouliks
nuut (predicatief bijv.nw),
nuwe (attributief bijv.nw.) - bn
nuutskepping - zn
nywerheid - zn
reddingswerkers, reddingseenheden
eerste hulp
eerste-hulpverleners
(ouder) meisje; vriendin (als in 'mijn vriendin'; minnares)
uitnodigen
meisjesnaam (waarmee een meisje geboren wordt)
nummer
briefje
nauwelijks
nieuw, nieuwe
neologisme
industrie
O
oes - zn en ww
ogies!
ogies maak ww
ogiesdraad - zn
oogst zn; oogsten ww
oproep tot tafelgebed: "Eerbiedig!" zegt men in Nederland
flirtend oogcontact maken
kippengaas
okkasie - zn
gelegenheid
okkerneut - zn
walnoot
Zuid-Afrikaanse olijfboom (Olea europaea subsp. cuspidata)
Vgl. 'sifdraad'
Vgl. Eng. 'occasion'
olienhoutboom, olienhout - zn (< dial. Ned. 'olievenhout')
Vgl. 'boekenhoutboom'
olierig - bn
olik
vet (van haren, huid, afscheiding)
misselijk, naar, ziek
Vgl. 'oulik' en 'aardig'
geven om, je betrokken voelen bij; bezwaar hebben
omgee, omgee vir
omgekrap
omgewing - zn
omgewings(omgewingsbewaring,
omgewingsbesoedeling,
ens.)
omie - zn
("Gee jy 'n donner om vir jou vriende?!" = Kunnen jouw vrienden je eigenlijk
een donder schelen?! / "Ek gee om vir die armes in ons gemeenskap." = Ik
geef om de armen in onze gemeenschap. / "Gee jy om as ek rook?" / Heb je er
bezwaar tegen als ik rook?)
Vgl. Qua betekenis hebben we hier te maken met een leenvertaling van Engels
'to care (for)'
ongelukkig (in de zin van 'ongelukkig zijn met een situatie'),
verward
omgeving, milieu
milieu- (omgewingsbewaring = milieubescherming,
omgewingsbesoedeling = milieuvervuiling / -verontreiniging)
Vgl. 'besoedeling'
meneer
Opm.: 'omie' wordt gebruikt door sprekers die met respect over een oudere
manspersoon willen spreken:
"Daai omie het sy huis self gebou" = Die meneer heeft zijn huis zelf gebouwd
Vgl. oom, tannie, antie
ompad - zn
omtrent
wegomlegging
over, aangaande - voorz.; ongeveer, zowat - bijw.
Opm.: In de betekenis 'over' komt men het voorzetsel omtrent veelvuldig tegen:
"Wat sê die Bybel omtrent dinosaurusse?"
Nog vaker komt men het tegen als bijwoord in de betekenis van 'ongeveer':
"Hierdie griep duur omtrent twee weke." In de betekenis 'zowat' moet men het
in de spreektaal zoeken: "Sy woorde raak my omtrent nooit nie; dit voel asof hy
my nie ernstig neem nie" = "Zijn woorden doen mij zowat nooit iets; het voelt
alsof hij mij niet serieus neemt"
onderdakparkering - zn
parkeergarage
leraar, onderwijzer
onderwyser - zn
Opm.: In de studententaal zegt men ook informeel 'onnie' als men onderwijzer
bedoelt (zie aldaar).
ongemaklik
ongeskik
onnie - zn
onnutsig
onthaal
onthou
niet naar je zin hebbend, je niet optimaal voelend
ongemanierd, onvriendelijk
(gemeenz, studententaal) onderwijzer, 'mees', juf
ondeugend
officiële ontvangst
zich herinneren
analyse, onderzoek
ontleding - zn
ontwerper - zn
ontwerpers- - zn
ontvangs - zn
ontvangsdame - zn
onvanpas
ooghoogteoond - zn
ooievaarspartytjie - zn
oom - zn
oond - zn
oopkop
oopplankkombuis - zn
oopsluit
oor
oorgee
jou oorgee
"'n Ontleding sal gedoen word om vas te stel waarom kliente weggebly of by
ander maatskappye uitgekom het." = "Er zal een analyse/onderzoek gedaan
worden om vast te stellen waarom klanten zijn weggebleven of bij andere
bedrijven zijn terechtgekomen"
ontwerper, (kleding) designer
designer-,design- (designerkleding, designkleding)
receptie, (Zuid-Nederlands) onthaal
receptioniste
ongepast
ingebouwde oven op ooghoogte
feestje voor aaanstaande moeder
oom; mijnheer, meneer
Opm. Oom wordt ook gebruikt als beleefde aanspreekvorm tegen mannen die
ouder zijn dan de spreker. Hierbij wordt de derde persoon enkelvoud
aangewend:
"Wil oom iets hê om te drink?" = Wilt u iets drinken, meneer?
Vgl. tannie, omie, antie
oven
recht-voor-z'n-raap
open keuken
openen
(voorz.) over; (zelfs. nw.) oor; "iemand ore aansit" = iemand
overtreffen, overtroeven, iemand de baas zijn
overgeven, braken (vgl. vomeer, vermeer)
zich overgeven
oorkant
de overkant; aan de overkant
("Oorkant die rivier" = Aan de overkant van de rivier.)
(Vgl. 'anderkant', 'duskant')
overstappen
oorklim
oorkrabbetjie, oorkrawwetjie oorbel
zn
logeren
oorslaap - ww
oorskietkos - zn
oortreksel - zn
oortrektrui - zn
oortrommel - zn
opdok - ww
opdonner/opdonder (plat) ww
opdraand, opdraande - zn
opelyf - zn
ophaal
op hitte
opfok (plat)
Vgl. Eng. 'to sleep over'
Zie ook 'tuis gaan' en 'loseer'
kliekje (eten)
hoes, overtrek (dekbedovertrek = duvetoortreksel)
sweater
trommelvlies; ook oordrom
dokken (met geld over de brug komen), er financieel voor
opdraaien, betalen (dit woord is niet zo gemeenzaam als het lijkt;
het is een normaal woord dat ook in serieuze zaken gebruikt kan
worden: "Jy sal self vir die dienste moet opdok").
Vgl. 'skuld' en 'delg'
in elkaar slaan
znopgaande helling; bijw. bergopwaarts
(vgl. 'afdraand(e)')
Uitdr. iemand opdraande gee (< Eng. "To give someone uphill") = iemand
dwars zitten, iemand moeilijkheden geven
stoelgang, ontlasting
oprakelen, omhooghalen, weer opvissen, aan de vergetelheid
ontrukken ("Wie ou probleme bly ophaal, grawe ou koeie uit die
sloot" / "Archimedes het gewys hoe 'n mens water kan ophaal" /
"Met hierdie pomp haal ons water op" / "Tydens hierdie terapie
moet jy jou slegte herinnerings ophaal."). Vgl. 'skouers ophaal' en
'oplaai'.
loops
Vgl. Eng. 'on heat'
Vgl. 'spuls'
in elkaar slaan
Vgl. Eng. 'to fuck up'
opgewonden, enthousiast, erg blij (om iets)
opgewonde - bijv. nw.
Opm.: Dit bijvoeglijke naamwoord wordt gebruikt waar men in het Engels
'excited' zegt. Het wordt dus vaker gebruikt om een algehele positieve
spanning bij aangename gebeurtenissen en situaties uit te drukken.
"Ek is nogal opgewonde daaroor" = "Ik vind dit erg leuk"/"Ik vind dit
spannend/leuk/geweldig"
overgeven, braken
opgooi - ww
In deze betekenis is het werkwoord opgooi een leenvertaling vanuit het Engels;
vgl. 'to throw up'.
Vgl. 'vermeer', 'vomeer'
opklim
opklimmen; instappen (bus/trein)
opwas
ophalen, uploaden ("My kêrel kom my nou-nou oplaai" = "mijn
vriend komt mij straks ophalen" / "Nou kan julle hierdie foto's
oplaai" = "nu kunnen jullie deze foto's uploaden). Vgl. 'ophaal',
'afhaal'.
opschieten
dieren opzetten
optillen / oppikken/-pakken; optellen
zwerfhond
vondeling
afwas
opwasmiddel - zn
afwasmiddel
oplaai
opskud
opstop - ww
optel
optelhond - zn
optelkind - zn
Vgl. Eng. 'to wash up'
Vgl. Eng. 'washing-up liquid'
zich ergens over opwinden, irriteren
opwen
ordentlik
Orie-Oetan - zn
orrel - zn
orrelis - zn
ou - bn
ou (mv. ouens) - zn
oudmodies - bn
oudtyds
ouetehuis - zn
oujongkêrel - zn
oujongnooi - zn
oukersaand - zn
oulaas (vir oulaas)
oulap - zn
oulik
ouma - zn
oumagrootjie - zn
oumiesies - zn
"Hierdie rommel wen my op" = "Ik wind me op over deze rommel" /
"Moenie paniekerig raak en jouself daaroor opwen nie" = "Raak niet in paniek
en wind je er niet over op" /
"Dit is 'n opwen-radio" = "Dit is een opwindbare radio"
netjes, fatsoenlijk, schoon
op monsterlijke mensaap gelijkende, angstaanjagende fabelfiguur
(volkskundig)
orgel
organist
oud, beste; lief, aandoenlijk (ou Karel = goeie ouwe Karel)
jongen; kameraad
uit de mode, uit de tijd, verouderd
Vgl. Du. altmodisch
ouderwets; zoals vroeger
bejaardenhuis
vrijgezel
oude vrijster
avond voor kerst
nog een keertje zoals toen
dubbeltje (ouderwets)
leuk ('leuk' bestaat eig. niet in Afr.)
(Vgl. 'olik')
oma
overgrootmoeder
aanspreekvorm en benaming voor de oudere, blanke vrouw des
huizes (vaak de moeder van de miesies)
Vgl. 'miesies'
oupa - zn
oupagrootjie - zn
outjie - zn
owerheid - zn
opa
overgrootvader
jongetje, jochie
overheid
P
paaiboelie - zn
paadjie - zn
paaiement - zn
pad - zn
padda - zn
paddavoete - zn
padgee
padkaart - zn
padkafee - zn
padkos - zn
padteken - zn
padvark - zn
padvervoer - zn
padwerke voor!
pamperlang
pampoen - zn
pampoenkop - zn
pampoentjies - zn
paneel - zn
paneelbespreking - zn
paneelbord - zn
paneelklopper - zn
pap
pap band/ pap wiel
papbroek - zn
papie
zn - zn
papnat
parmantig
schrikbeeld, boeman; lelijke persoon
paadje, weggetje; scheiding in het haar
gedeelte van afbetaling
weg (mv. paaie)
kikker, kikvors
zwemvliezen
voorrang verlenen, uit de weg gaan
Vgl. Eng. 'to give way'
wegenkaart
wegrestaurant
eten voor onderweg
verkeersbord
Vgl. Eng. 'road sign'
wegpiraat
wegtransport
werk in uitvoering!
Vgl. Eng. 'road work ahead'
vleien; flikflooien
pompoen
domkop
bof (ziekte)
panel (Eng.)
forumdiscussie
dashboard
iemand die auto's uitdeukt
Vgl. Eng. 'panel beater'
slap; plat (van banden)
lekke band
bangerik, lafaard, slappeling
pop (vlindercocon)
party
kletsnat (vgl. sopnat)
brutaal, ondeugend (vgl. astrant)
persen (alléén van druiven); strijken met een strijkijzer
(Vgl. 'pers')
zn druiven-, vruchtenpers;
ww druiven, vruchten persen
Zie verder bij 'pers'
(telw.) sommige; (zelfst. nw) partij
partykeer
partytjie - zn
soms
feestje
pars ww
pars - zn, ww
("Party mense is te vet" = "Sommige mensen zijn te dik").
pasella - zn
paslaken - zn
pasoppens (in sy ~ wees) zn
paspoortbeheer - zn
pastei - zn
iets wat je op de koop toe krijgt/geeft; toegift, extraatje
hoeslaken
Opm.Vgl 'oortreksel'
op zijn hoede zijn
paspoortcontrole
'pie', soort pasteitje bestaande uit ragoût / vol-au-vent in
bladerdeeg
"vat jou paai en waai!"
patat / pataat - zn
pendelaar - zn
pendoring - zn
penorent
per ongeluk
perd - zn
perdeby - zn
perdejoggie - zn
perdetelery - zn
perdfris
pêrel - zn
perlemoen, perlemoer - zn
permit - zn
zoete aardappel, yamwortelachtige, Discorea (verwant aan de
haagwinde (Convolvulaceae); domkop
forens
soort doornstruik met witte bloemen (Gymnosporia buxifolia)
rechtop, kaarsrecht
per ongeluk, abusievelijk
paard; kerel
sluipwesp (familie Ichneumonidae)
jockey
paardenfokkerij
uitgerust, fris
parel
(vgl. 'Paarl')
Zeeoor: erg gewild zeeweekdier van het geslacht Haliotis met
grote, opvallende schelp; parelmoer (het glanzende bekleedsel
van schelpen van weekdieren zoals de oester en de nautilus
De perlemoen, of zeeoor, is een lekkernij die vaak het slachtoffer
is van stropers. De oorvormige schelp van het dier kenmerkt zich
door de gaten in de schelp, waardoor het dier ademt. Het dier
leeft op rotsen.
vergunning
Vgl. Eng. 'permit'
pers ww
pers bn.
pers - zn
perske - zn
petalje - zn
persen (alle vruchten, behalve druiven; vgl. 'pars' [zie aldaar])
paars
pers (media)
perzik
spektakel
petrol (klemtoon op pet-) - zn benzine
Vgl. Eng. 'petrol'
petrolstasie - zn
benzinestation
peuselhappie - zn
peuter
snack
rommelen, saboteren
sjouwen, met moeite vervoeren / lopen
(vgl. 'aanpiekel'
piekel
Vgl. Eng. 'petrol station'
pienk
piering - zn
piesang - zn
pietersielie - zn
Piet-my-vrou - zn
piets
pik - zn
pikkewyn - zn
pla
roze
schotel (kop en - )
banaan
peterselie
vogelsoort Cucullus solitarius (koekkoekachtige)
petsen
houweel
pinguln
lastig vallen, dwarszitten
"Jammer om te pla!" = Pardon! / Mag ik U even lastigvallen?;
"Wat jou pla, is jou eie gewete" = Het is jouw eigen geweten dat aan jou
knaagt;
"Ek is nie gepla deur 'n deurmekaar omgewing nie" = Ik vind een warrige
omgeving niet zo lastig.
Qua betekenis kunnen we ervan uitgaan dat we hier te maken hebben met een
leenvertaling van het Engelse werkwoord 'to bother'
Vgl. 'terg', 'lol', 'neul'
plaas - zn
plaashuis - zn
plaasjapie, plaasgawie
(scherts.) - zn
plaatjoggie - zn
plakker - zn
plakkerskamp - zn
boerderij; boerenbedrijf
boerderijwoning, hoeve
(achterlijke) boerenjongen
discjockey
bewoner van een plakkerskamp (een illegale krottenwijk)
illegale krottenwijk
Opm.: Een plakkerskamp wordt, eufemistisch, ook informele nedersetting
genoemd. Overal in Zuid-Afrika treft men rond steden en dorpen zulke
opeenhopingen van tenten, golfplaathutjes en barakken aan, waar de armsten
in leven. Er bestaan zwarte en blanke plakkerskampen. Een bekend
plakkerskamp met hoofdzakelijk Afrikaners is Kroningspark / Coronation Park,
bij Krugersdorp. Mensen zijn er vaak verstoken van elementaire sanitaire
voorzieningen.
Vgl. 'nedersetting, informele ~'
platform - zn
verzamelnaam voor zeer algemene inheemse vetplantsoorten
van het geslacht crassula
slippers
een oplossing vinden ('n Boer maak 'n plan = we vinden er wel
iets op)
röntgenfoto's maken
perron
platinum - zn
platina
plek - zn
plek-plek
pleks ( ~ van)
plaats
hier en daar
in plaats van
plesier (dis 'n ~) - zn
graag gedaan
plakkie - zn
plakkies - zn
plan ('n ~ maak)
plate neem
Vgl. Eng. 'platform'
Vgl. Eng. 'platinum'
Bijv.: Ons plaaswerkers kry kospakkies pleks van salaris.
plofstof - zn
plonk - zn
plot - zn
pluimbal - zn
poeding - zn
poegaai
poehaai
poepdronk, poesdronk (plat)
poes (plat) - zn
poesklap (plat) - zn
polfyntjie - zn
explosieven
slechte wijn
huis met een stuk grond buiten de stad
badminton
pudding
bekaf
kouwe drukte
strontlazarus
klootzak, ellendeling, rotzak; vrouwelijk geslachtsorgaan
(dus nooit in Z.A. tegen een kat zeggen!)
harde klap of slag in het gezicht; effectieve dreun
soort koekje; meisje (als in vriendin, minnares)
soort boterhamworst
polonie - zn
Opm.: de typisch Zuid-Afrikaanse betekenis van dit woord treft men ook aan in
het Zuid-Afrikaans Engels, bij het woord 'polony'.
pomelo - zn
grapefruit
Pietje Puk, Jan Janssen (e.g. de doorsneemens, Jan Modaal, of
een voorbeeldnaam bij een formulier)
("Wie het my toebroodjies opgeëet?"
- "Piet Pompies.")
armelijk hutje
pony (paardje)
roddelkrant, boulevardkrant, 'tabloid'
perforator
uitgeput (vgl. beenaf)
met poppen spelen
porto
briefkaart
postzegel
posterijen
pan
stoofpot in ijzeren driepoot-pot, boven open vuur (echt traditioneel
Afrikaans!)
arts, dokter ook: mediese dokter
Pompies, Piet
pondokkie, pondok - zn
ponie - zn
poniekoerant - zn
ponsmasjien - zn
pootuit
popspeel ww
posgeld - zn
poskaart - zn
posseël - zn
poswese - zn
pot - zn
potjiekos - zn
praktisyn (mediese ~) - zn
prikkelpop - zn
prinsipaal - zn
probeerslag - zn
proe
Vgl. Eng. 'medical practitioner'
pin-up girl
schoolhoofd; ook skoolhoof
Vgl. Eng. 'principal'
promosie - zn
poging
proeven
reclameactie, pr-actie
pronkertjie - zn
siererwt: lathyrus
Vgl. Eng. 'promotion'
prop - zn
propper
puik - bn
kurk, plug
netjes
uitstekend, voortreffelijk
Puk - zn
Student van de voormalige Potchefstroomse Universiteit vir
Christelike Onderwys (thans wordt dit de Potchefstroomse
Universiteit genoemd, als onderdeel van de NoordwesUniversiteit).
Vgl. 'bakgat'
Opm.: Het meervoud 'Pukke' is ook de informele naam van de instelling zelf,
die ook bekend staat als de Potchefstroomse campus van de NoordwesUniversiteit. Pukke is (anno 2012) een van de weinige universiteiten waar het
Afrikaans nog een rol als onderwijstaal speelt.
puntenerig, punteneurig
pyl ww
pynappel
kieskeurig, lichtgeraakt
recht op iets afgaan
ananas
Vgl. Eng. 'pineapple'
R
raadop wees
raai ww
raai, raai, riepa tussenw.
raaisel - zn
raaiskoot - zn
raakloop
raakry
raaksien
raakskoot - zn
raar
raas
raat (mv. rate) - zn
ten einde raad zijn
raden
ra, ra (gezegd voordat men een raadseltje vertelt)
raadsel, puzzel
gissing
onverwachts ontmoeten, ergens tegenaan lopen, (iemand) tegen
het lijf lopen
tegen iets/iemand aan rijden; omver rijden
opmerken; in het oog krijgen
voltreffer
vreemd, ongewoon, eigenaardig;
Opm.: De betekenis 'zeldzaam' komt ook voor, maar dit geldt als onverzorgd
en anglicistisch (< Eng. rare) Afrikaans
razen; (met iemand ~) berispen;
raas gee = iemand berispen, op zijn kop geven
huismiddeltje (zie ook boereraat
rek; (boeken-)plank; (winkel-)schap
rak - zn
"Op watter rakke kry ek die sjampoe?" = "In welke schappen vind ik de
shampoo?"
rak - zn
ramparty - zn
rand (soms ook 'rant'; zie
aldaar) - zn
randjie - zn
randsteen - zn
rant - zn
spinneweb, spinnerag
vrijgezellenfeest voor de mannen; hengstenbal
raps, rapsie - zn
reeks heuvels, plateaurand
heuvel, reeks heuvels
stoeprand, trottoirrand
steile, geërodeerde bergkruin
klein beetje
'n Raps voor middernag = 'Kort voor middernacht'
rat - zn
ratkas - zn
reënerig
reg - bijv.nw.; bijw.
regmaak
regmakertjie - zn
regstel - ww
regoor - voorz.
versnelling
versnellingsbak
regenachtig
recht; juist; goed, in orde
Opm.: Waar men in het Nederlands vaak 'goed' zegt, daar is in het Afrikaans
vaak 'reg' op z'n plaats:
"O, ek dink ek het nie die regte knop gedruk nie." = "Oh, ik denk dat ik niet de
goede knop heb ingedrukt"
"Nou weet ons watter een verkeerd is. Maar watter een is die regte een?" =
"Nu weten we welke de verkeerde is. Maar wat is de goede?"
in orde maken; ook steriliseren van katten/honden
borrel (vgl. dop, sopie)
corrigeren, rechtzetten
Opm.: In Zuid-Afrika is regstellende aksie het overheidsbeleid waarbij zwarte
en andere voorheen benadeelde bevolkingsgroepen voorrechten en voordelen
toegekend worden. Inherent hieraan is dat blanke individuen bij gelijke of
betere geschiktheid benadeeld worden en dat blanken op de arbeidsmarkt als
tweederangsburgers moeten worden behandeld. Regstellende aksie kan in het
Nederlands het beste met positieve discriminatie vertaald worden.
Zie ook 'bemagtiging' en 'transformeer'
dwarsdoor, overal in...
"regoor die land" = overal in het land, dwarsdoor het land
Vgl. Eng. 'across'
regtig/rêrig
reguit
reguit
regverdig
echt waar, waar (rêrig? = echt waar?)
rechtdoor
recht-door-zee
rechtvaardig
races, hardloopwedstrijd (ook van paarden)
reisies - zn
Vgl. Eng. 'races'
rekenaar - zn
rekenmeester - zn
renons - zn
renoster - zn
rêrig/regtig
Zie ook bij 'resies'
computer
accountant
afkeer
neushoorn
werkelijk, echt waar
(paarden) wedrennen
resies - zn
resieperd, reisieperd - zn
reuk/ruik - zn - zn
reun
rieme (jou ~ styfloop) - zn
riempiesstoel - zn
riller
rinkink - ww
rinneweer / verrinneweer
rissie, rooirissie - zn
(Vgl. 'reisies')
renpaard
geur, reuk
reu (mannetjeshond)
in de problemen geraken
stoel met mat van "riempies" (reepjes van leer)
thriller
fuifen, uitgaan, boemelen (vgl. 'jol)
ruïneren / verruïneren
spaanse peper, lombok, chilipeper, tjabé rawit; (fig) kenau, feeks
Vgl. 'soetrissie'
ritteltit (die ~(s) kry) - zn
hysterisch worden
verkeerslicht, stoplicht; ook robot; ook verkeerslig
robot - zn
Opm.: deze woordbetekenis heeft het Afrikaans gemeen met het ZuidAfrikaans Engels, waar 'robot' ook verkeerslicht betekent. Het is dus typisch
Zuid-Afrikaans.
grof, ruig, ruw, ongelijk
rof (attributief rowwe)
"Ons ma het verwag dat haar sensitiewe seuns as rowwe ouens van die
weermag sou teruggekom het" = "Onze moeder had verwacht dat haar
gevoelige zoons als ruig kerels zouden terugkomen"
rofstoei - zn, ww
worstelen (sport)
jurk
rok - zn
rolbal - zn
rolbektrui - zn
Vgl. romp, bolyf
rolprent - zn
bowling
coltrui
film
romp - zn
rok
rondawel - zn
rondomtalie - zn
rondomtalie - ww
rondvat (iemand ~)
Vgl. 'fliek'
Vgl. rok, bolyf
ronde hut met rieten dak van de negerstammen; klein
vakantiehuisje (vaak op wildsplase) dat naar voorbeeld van een
rondawel is gebouwd
draaimolen (kleine, horizontale draaimolen met draaischijf, zoals
in speeltuinen)
draaien op de draaimolen
iemand meenemen om hem/haar de omgeving laten zien
Vgl. rondwys)
"As jy by ons in Port Elizabeth kom kuier sal ek jou rondvat" = "Als je bij ons in
Port Elizabeth op bezoek komt, zal ik je de omgeving laten zien"
Vgl. Eng. 'to take someone around'
rondwys (iemand - )
iemand de omgeving laten zien
rooi
rooigety
rooinek (scherts.)
rooitaal
die rooitaal gooi
rot
rou
rug - rûe ; ruggens - rûens
ruiker
ruintjie
ruk
ruk-en-pluk
rukkie
ruskamer
rood (zowel attribitief als predicatief)
enorme toevloed van kreeften op het strand
Engelsman, Engelssprekende (vgl. soutpiel)
Engels
Engels spreken
rat
ruw, onbeleefd
rug - ruggen; bergrug - bergruggen
boeket
reu (mannetjeshond)
choqueren; schokken, zich schielijk bewegen van angst of schrik
hevig bewegen (op muziek), rock 'n' roll (vgl. 'skud', 'skommel')
poosje (dit is 'n rukkie gelede = dat was een poosje geleden)
openbaar toilet
Vgl. Eng. 'to show someone around'
ruspe - zn
ry
ryloop
ryp
rys
rups
rijden, vliegen, varen
liften
lichte nachtvorst
rijst
S
saak maak
saal
saam
saamryklub
saamstem
saamtrek
saamtrekdag
saamvat
saans
sag / saf
sagkens - bijw.
sak
belangrijk zijn
zaal; zadel
samen; mee- (zoals saamsing, saamhuil, saamry)
carpooling
instemmen
bijeenkomst
landdag, toogdag
meenemen
's avonds
zacht
zachtjes, voorzichtigjes, 'met fluwelen handschoenen'
zak, tas
sakkie-sakkie - zn
boeremusiek (traditionele Afrikanermuziek, waarbij banjo,
slaggitaar en concertina of viool de hoofdinstrumenten zijn)
Vgl. 'tas'
Vgl. 'konsertina'
sambreel
sampioen
sandpapier
sangoma
sanna
sawwerig - bn.
seekat
seekoei
seën, seen
seermaak
seerkry
sêgoed
sekelmaan
sening - zn
seningrig - bn
sens
sensitief
parapluie, parasol
champignon
schuurpapier; men zegt in het Afrikaans ook het minder
anglicistische skuurpapier
medicijnman, traditionele genezer in Afrika
Vgl. 'toordokter'
ouderwets geweer (zoals tijdens Boerenoorlog)
ietwat zacht, halfzacht (ook in overdr. zin)
octopus ('Die seekat is dood': gezegd wanneer er een
onaangename geur uit de zee komt)
nijlpaard
zegen
pijn doen; beledigen
pijn hebben, krijgen
woordenschat
halve maan
kraakbeen ('zeen' in vlees)
met zeen, taai, pezig (van vlees)
zeis
(over)gevoelig
senuweeagtig
senuwee, -s zn
serp
setlaar
seun
seunskoor
siel uittrek
sien
sies!
sies tog!
sif
sifdraad
sinkplaat
sirkel
sigorei
sitplekgordel
sjampoe
sjebien - zn
sjoe
sjoes! - tussenw.
skaam
skaars
skaduwee
skakel
skakelbeampte
skakelhuis
skarlakenkoors
skattebol
skeet
skelm - bn
skelm - zn
skemerkelkie
skenk
skenkel, skinkel - zn
skêr - zn
skerpioen
zenuwachtig
zenuw, -en
sjaal(tje)
Vgl. tjalie
kolonist uit Engeland (1820 setlaars)
jongen, zoon
jongenskoor
plagen, pesten
zien; bezoeken
uitroep van afkeer, walging: 'gatver!', 'bah!'
'Sies, jou vark!' = 'Gatver, vuilak!' / 'Bah, smeerlap die je bent!'
uitroep van medelijden; 'ach wat jammer, zeg'
zeef; zeven (ww)
kippengaas (vgl. ogiesdraad)
golfijzer
rotonde
chichorei (blauwbloemige composiet: Ciehorium intybus);
chichorei-extract om de koffie romiger te maken
veiligheidsriem
shampoo
illegale kroeg in lokasie (zie aldaar)
tjonge, pfoe (sjoe, dis warm: tjonge, wat is het warm)
Ssst! (wees stil!)
Vgl. Eng. 'shush!'
verlegen
zeldzaam
schaduw
zelfst. nw. oproep, telefoontje; ww opbellen
PR-man / vrouw
twee-onder-een-kap
roodvonk
lieveling, schattebout
Vgl. bokkie, bokka, engel
wind; kwaaltje; kuur (vol kuren) (vgl. fiemies)
stiekem
schelm
borrel, cocktail
schenken (geven)
Vgl. 'skink'
scheenbeen (van mens, dier), schenkel (bijv. soepbeen,
slagersproduct)
schaar
schorpioen
skiktyd
skilfers
skilpad - zn
skilpadjie - zn
skinder / skinner
skinderstories
skink
skinkbord
skinkel, skenkel - zn
skollie
skommel
skons
skoolhou
skooldrag
skoolhou
skoorsoeker
skorsie
skottel
skottelgoed
skottelgoedwasser
skouburg
skouer
skouers ophaal
skouhuis
skraal
skraps
skrefie - zn
sku
skuifspeld - zn
skuld
skurf
skyf
flexibele werkuren
roos (van hoofdhuid)
schildpad
In netvet gewikkelde, gemalen lever voor op de barbecue
roddelen
roddelpraatjes
schenken (drank)
Vgl. 'skenk'
dienblad
scheenbeen (van mens, dier), schenkel (bijv. soepbeen,
slagersproduct)
bandiet, straatbendelid
schudden (ook van kaarten)
scones
lesgeven
schooluniform
lesgeven
ruziemaker
kleine, hartige meloenachtige groente (in het Engels: squash),
ook: lemoenpampoen)
schaal (vgl. piering), grote schotelvormige plaat of eg
de vaat, servies
vaatwaemachine
theater
schouder
je schouders erbij ophalen (vanwege scepsis of ongelovigheid)
("Ek haal net my skouers op wanneer jy uit die Bybel lees.") Vgl.
'ophaal'.
modelwoning
schamel, mager, slank
schamel, nauwelijks
kier
"Hy hou sy deur op 'n skrefie oop" = Hij houdt zijn deur open op een kiertje
schuw
paperclip
(zelfst. nw.) schuld; (ww) schuldig zijn aan ("Hoeveel skuld ek
jou?" = "Hoeveel ben ik je schuldig?").
Vgl. 'delg' en 'opdok'.
ruw (Skurwekop = een berg met een rafelige krans [zie aldaar] in
de buurt van de plaats Graaff-Reinet)
schijf, chip; joint, stickie (drugs)
("Wat giggel julle so?" - "Sien jy daai skyf? Dis 'n stompie, nou!")
Vgl. 'dagga', 'boom' en 'zol'
skyfies
slaai
slaggat
slagter
slapskyf
slaptjips
sleg
slegmaak (iemand)
slegsê
slenter -zn
slenterdrag
slip, slippie zn
sluk zn
sluk ww
slukderm
smous
patat, ook: aartappelskyfies; dia's
salade
gat in de weg
Vgl. 'donga')
slagerij
floppy disk
patates frites (dikwijls met azijn en zout erover; ook in het Z.A.
Engels zegt men 'slap chips')
niet goed meer (melk, boter) (vgl. kês)
over iemand roddelen
roddelen, kwaadspreken: ook slegmaak
truc, (in negatieve zin), trucje, hoax, babbeltruc, smoes,
bedriegerij
selfoonslenter = GSM-fraude
vrijetijdskleding
(kassa-)bonnetje (< Eng. 'slip')
Opm. Hoewel dit officieel niet een Afrikaans doch een Engels woord is,
gebruikt men dit vaak in de plaats van strokie. Zuid-Afrikanen dienen in het
Nederlands echter ervoor te waken slip of slippie niet in plaats van strokie te
gebruiken, omdat slip in het Nederlands 'onderbroek' betekent.
Vgl. strokie
slok
slikken
slokdarm
marskramer
grappig, lachwekkend; vreemd, raar
Opm.: 'snaaks' heeft de betekenis van Eng. 'funny' aangenomen, met haar
positieve ('grappig') en negatieve ('vreemd') connotaties. We hebben hier dus
te maken met een leenvertaling vanuit het Engels.
snaaks
Dit was 'n snaakse gesig om hierdie man so te sien skarrel = 'Het was een
grappig gezicht om die man zo in het rond te zien rennen'
Jy kan die hondjie maar ignoreer. Hy raak soms snaaks = 'Let maar niet op dat
hondje. Hij doet soms raar'
Ja, ek ken haar, maar sy's 'n bietjie snaaks (terwijl de spreker een afkeurend
kijkt) = 'Ja, ik ken haar, maar ze is een beetje vreemd'
sneesdoekie
papieren zakdoek
snelskrif
snesie
steno
zakdoek (zie ook sneesdoek)
barracuda-/makreelachtige, baarsachtige (Perciiformes) zeevis
die als lekkernij wordt beschouwd (ondanks de vele graten)
(Scomberomorus Leopardus)
gezellig, behaaglijk
Pretoria
snijden, knippen
snee
snoek
snoesig
Snor City (gemeenz.)
sny (ww)
sny (zn)
zie ook snesie
zo; dus
so voegw.
"Ons probeer om 'n oplossing te vind, so dankie vir u geduld" = "Wij proberen
een oplossing te vinden, dus bedankt voor uw geduld")
Vgl. Eng. 'so'
soek
zoeken, moeilijkheden zoeken, tarten
(uitdr.) als zoete broodjes, ("hierdie boek lees soos soetkoek" =
dit boek kun je verslinden / "die nuutste iPods verkoop soos
soetkoek" = de nieuwste iPods gaan als zoete broodjes van de
toonbank)
paprika
soetkoek (soos - )
soetrissie
sog - zn
soggens
sokker
sokkerspan
sokkie
sokkiejol
somer
sommer
sonar
sonde
sonkamer
sononder
sonop
sonsambreel
sonstrepe
sooi - zn
Vgl. 'rissie'
zeug (vrouwelijk varken)
's morgens, 's ochtends
voetbal
voetbalteam
discoën, ongebonden, vrijelijk dansen zoals op feestjes: huppen
op de maat
feestje, partijtje waar zo wordt gedanst
zomer
zomaar, zonder bijzondere reden; ook sommerso ("Ons jol
sommer vir die pret" = we vieren feest, gewoon voor de lol)
echo(-grafie)
zonde, ruzie
serre
zonsondergang
zonsopgang
parasol (vgl. sambreel)
coupe soleil
zode, graszode; om te spitten grond (vooral bij
openingsceremonies waar de eerste schep in de grond gestoken
wordt)
Vgl. sooispitplegtigheid
sooispitplegtigheid / seremonie
soos
sop - zn
sopie
sosatie
sous
soutpiel
souttert
span - zn
ceremonie van de "eerste schep in de grond"
(zo)als (zo groot als... = so groot soos; net als = net soos) (vgl.
nes)
soep
borrel, drankje
Vgl. 'dop', 'regmakertjie'
soort sateh / saté
saus; jus
beledigende benaming voor een Engelssprekende (vgl. Rooinek)
hartig gebak
team, ploeg
(b.v. sokkerspan, rugbyspan, skoonmaakspan)
spangees
spandeer
spanspek
teamgeest
uitgeven (geld), doorbrengen (tijd)
meloen
(niet de watermeloen maar de 'gewone', groengele suikermeloen
Cucumis melo)
Opm.: de naam spanspek is een verkorting van Nl. Spaans spek.
speek - zn
spek
spoedbeperking
spaak
ontbijtspek, bacon
spekboom: soort succulente struik van de posteleinfamilie,
Portulacaria afra
voorraadkast/-kamertje
sluitingsdatum voor kopij
detective
detectiveverhaal
toilettafel
speerwerpen
centrifuge
spin (het dier)
maximumsnelheid
spoedlokval
snelheidscontrole
spog
spookasem
spore maak
opscheppen, pochen
suikerspin
hard weglopen
Zuid-Afrikaans, op haas gelijkend knaagdier (dus geen haas- of
konijnachtige) dat zich als een kangoeroe voortbeweegt (Pedetes
capensis)
popcorn
sprinkhaan
beekje
tochtig
spekboom
spens
spertyd
speurder
speurverhaal
spieëltafel
spiesgooi
spindroër
spinnekop - zn
springhaas - zn
springmielies - zn
sprinkaan - zn
spruit
Vgl. Eng. 'speed limit'
Vgl. Eng. 'speed trap'
spuls, speels (gezegd van
paarden) - bn
Opm.: spuls is afkomstig uit dial. Nederlands speuls, dat 'speels' betekent. Dit
is een goed voorbeeld van het feit dat het Afrikaans voortkomt uit Hollandse
dialecten.
Vgl. 'op hitte'
staanspoor
(uit die-) onmiddellijk
iemand op wie men staat kan maken; rang binnen de
Voortrekkers (Zuid-Afrikaanse padvinderij)
stad
langzaam ('langsaam' is erg ongebruikelijk)
gemeentehuis, stadhuis
gemeenteraad
stampen, stoten
staatmaker
stad
stadig
stadsaal
stadsraad
stamp
"Ek het my kop gestamp"
Vgl. 'stoot'
stap
lopen, wandeltocht of trektocht maken
staptoere
stasie
stasiewa
stat (mv. statte)
wandeltochten
station, bureau (polisiestasie, bijvoorbeeld)
stationcar
traditionele Zoeloenederzetting
nog steeds
steeds
steek (plat)
steen
steggie / stiggie
Vgl. 'loop'
Vgl. Eng. 'still'
geslachtsgemeenschap hebben
(zelfst. nw.) steen (verheven taalgeb.: 'Die steen des aanstoots'),
edelsteen, baksteen; (bijv. nw) stenen.
In het Afrikaans kent men het woord 'steen,' voor alle handgemaakte,
gefabriceerde (bouw-, bak-, edel-)stenen. 'Klip' gebruikt men voor alle overige
betekenissen. Klip betekent dus 'een stuk steen', 'een steen', zoals je die in de
natuur aantreft.
Vgl. 'klip'.
steke
stekje (v.e. plant)
hechtigingen
sterkte
sterkte; succes
steur, jou ~ aan
stiksienig
stingel
stoep
Vgl. Eng. 'stitches'
"Sterkte met die eksamens!" = "Succes met de examens!"
storen, zich storen aan
("Ek steur my aan jou bespotlike kleredrag") (vgl. 'traak' en 'stoor')
kortzichtig
stengel
veranda
Vgl. 'sypaadjie'
stoer, krachtig, sterk, onvermoeibaar, onverzettelijk; steil, trouw,
standvastig
stoer -bn
stofpad
stokalleen
stokkiesdraai
stokkiestert
stokperdjie
stoof
Opm.: de secundaire betekenis, 'steil, trouw, standvastig' is volgens mij onder
invloed van het onverwante, Eng. staunch ontstaan. Dat betekent 'trouw,
standvastig'.
Voorbeelden:
"In spite of everything, he is a staunch supporter of his rugby team" = "Ten
spyte van alles, is hy 'n stoere ondersteuner van sy rugbyspan" (Nl.: 'Ondanks
alles is hij een trouwe supporter van zijn rugbyteam')
"Susan was a surprise to her parents, who were staunch Catholics" = "Susan
was vir haar ouers, wat stoere Katolieke was, ‘n verrassing" (Nl.: 'Susan was
voor haar ouders, die steile Katholieken waren, een verrassing')
ongeteerde weg (zie ook 'grondpad')
helemaal alleen
spijbelen
stokstaartje (ook mierkat of meerkat genoemd in het Afrikaans;
soort mangoest [civetkatachtige; viverridae] die rechtopstaand de
wacht houdt)
hobby
fornuis
stoor
stoot
stootwaentjie
storm, mv. storms
stort(-bad)
stouter
strokie
strokiesverhaal
strooitjie
stry
stuitig
stuitigheid
suiping
suring
suster
suurlemoen zn
swaai
swael, swawel - zn
swaer - zn
sweetpak
swemklere
swot
opslaan, voorraad aanleggen
(vgl. 'bêre' en 'steur')
duwen
Vgl. 'stamp'
wandelwagentje, kinderwagen
storm, mv. stormen
douche
stouterd
kassabon
Vgl. 'slip, slippie'
stripverhaal
rietje
strijden; disputeren
dwaas, gek
dwaasheid, gekheid
drinkplaats voor dieren
klaverzuring (Engels 'sorrel'; oxalis)
gediplomeerd verpleegster
citroen
Vgl. 'lemoen', 'lemmetjie'
zwaaien (heen en weer, dus niet 'wuiven' met de hand),
schommelen
zwavel; zwaluw
(opmerkelijk homoniem!)
zwager, schoonbroer
trainingspak
Vgl. Eng. 'sweat suit'
zwempak
(hard) studeren, blokken
Vgl. Eng. 'to swot'
sykouse
nylons
trottoir
sypaadjie
Vgl. Eng. 'sidewalk'
Zie ook 'stoep'
T
taai - bn
taakspan
taai (in de Nederlandse betekenis); kleverig
taakgroep, taakeenheid
tot ziens
ta-ta
Opm.: Het aan het Engels ontleende 'ta-ta' wordt nooit door mannen gebruikt
maar juist door vrouwen.
tabberd
tafeldoek
(sjieke) japon, (sjieke) jurk
tafelkleed
filiaal (bv. van bank), afdeling
tak
Vgl. Eng. 'branch'
takbestuurder
manager van bijkantoor
Vgl. Eng. 'branch manager'
hert
takbok
takhaar
takkantoor
tamatie
tameletjie - zn
Opm.: Naast het woord takbok heeft in Afrika het woord hert alleen als geleerd
woord bestaan. Het werd vervangen door takbok, wat zich laat verklaren door
het feit dat herten oorspronkelijk niet in Zuid-Afrika voorkomen. Een
oorspronkelijk, niet-geleerd woord voor hert leeft nog voort in de naam van het
inheemse 'hartebees', dat de vroege kolonisten aan het Europese hert deed
denken (zie aldaar).
verwilderde persoon met lange klittende haren
bijkantoor
Vgl. Eng. 'branch office'
tomaat
(culin.) kleverig, traditioneel toffeegebakje uit de Afrikaner- en
Maleierkeuken; (overdr.) netelige kwestie, hoofdpijndossier
Spreek uit met de klemtoon op de een-na-laatste klankvoet: tamelêtjie.
tandefee
tannie
'tooth-fairy'; sprookjesfiguur die gewisselde tandjes van kinderen
ophaalt
tante; beleefde aanspreekvorm voor een vrouw: mevrouw
Tannie wordt gebruikt als beleefde doch vertrouwde aanspreekvorm tot
vrouwen die ouder zijn dan de spreker. Hierbij wordt de derde persoon
enkelvoud aangewend, in plaats van de beleefdheidsvorm van de tweede
persoon enkelvoud u: "Sal tannie dalk 'n koppie tee wil hê?" = "Wilt u
misschien een kopje thee?"
Vgl. antie, oom, omie
uit een kraan of tap (laten) stromen
tap -ww
tarentaal
tas
te kere gaan
teater
teatersuster
teef
teel - ww
teelmerrie
teën, teen
teen-, teëteenliggaam
teenwoordig, teenswoordig
Opm.: In tegenstelling tot in het Nederlands, wordt dit werkwoord ook vaak
onovergankelijk gebruikt:
"Daar tap stadig koffie uit die fles" = "Er komt langzaam koffie uit de
thermosfles"
parelhoen
koffer
Vgl. 'sak'
te keer gaan
bioscoop; operatiekamer
Vgl. voor betekenis Eng. 'theatre'
operatiezuster
slet (de negatieve betekenis van het scheldwoord doet denken
aan die van Eng. 'bitch'), verder is de betekenis dezelfde als in
het Nederlands
fokken
Vgl. 'fokken'
fokmerrie
tegen
tegen- (teendeel, teepraat [= tegenspreken])
antistof
Vgl. Eng. 'antibody'
aanwezig, tegenwoordig (in de zin van 'aanwezig'; niet 'dezer
dagen')
Vgl. 'deesdae'
teerpad
geasfalteerde weg
teetyd
thee-/koffiepauze
teiken
(zn) doelwit; (ww) de pijlen richten op, zich richten op
teken
teken; bord (verkeersbord, bord met opschrift)
Vgl. Eng. 'tar road'
Vgl. Eng. 'tea time'
Vgl. Eng. 'target', 'to target'
Vgl. voor tweede betekenis Eng. 'sign'
gympie, gymschoen
tekkie
Alleen in Zuid-Afrika is dit woord bekend. Zowel in het Afrikaans als in het ZuidAfrikaans Engels ('tackie') is dit woord algemeen.
teller
kassier
teneergedruk
tentatief (tentatiewe)
terg
tering
tert
t-hemp
tiekiedraai
'depri'
voorlopig
plagen
tuberculose
taart, gebak; (fig) slet, vrouw van lichte zeden
t-shirt
rondedans
tijger
tier - zn
tierboskat - zn
tierkat - zn
tik - zn
tikkop - zn
tikmasjien - zn - zn
tikster
tjaila - ww
tjailatyd zn
tjalie
Vgl. Eng. 'teller'
Opm.: Ten onrechte wordt met tier soms ook het luipaard aangeduid
serval (een katachtige: Leptailurus serval)
poema
methamfetamine, crystal meth (zeer verslavende drug)
methamfetaminegebruiker
typemachine
typiste
naar huis gaan (na werk)
tijd waarop men naar huis gaat vanuit werk
schouderdoek, kraplap (vierkanten doek over schouders
gedragen)
Vgl. serp
tjank
tjankbalie - zn
tjap, stempel
tjek (rekening)
tjello
tjommie
tjoepstil
tjops
janken
huilebalk
stempel
cheque (rekening)
cello
maatje, gabber, goede vriend
< Eng. chum, 'naaste vriend' + verkleiningsachtervoegsel -ie.
doodstil
speciale stukken varkensvlees voor op de braai
(vgl. 'karmenaadjies')
Vgl. Eng. 'chops'
tjorrie
toebalkon
toebroodjie
oude vrachtwagen
dichtgebouwd balkon
sandwich
inpakken (met papier)
toedraai ww
"Sjoe, maar hierdie geskenkie is mooi toegedraai, hoor!" = "Jeetje, dit
cadeautje is mooi ingepakt, zeg!"
toeka se dae (uit ~)
van vroeger (ook: uit hoeka se dae)
toelaten; toestaan; toestemming krijgen om...
Opm. In het Afrikaans hoort men zelden 'toestaan'; met zegt eerder 'toelaat'
waar men in het Nederlands 'toestaan' zou zeggen.
toelaat ww
Bijvoorbeeld: "Ons kan nie sulke gedrag in die Nuwe Suid-Afrika toelaat nie" =
"Wij kunnen zulk gedrag in het Nieuwe Zuid-Afrika niet toestaan" /
"By hierdie vergadering word net swart joernaliste toegelaat" = "Bij deze
vergadering worden slechts zwarte journalisten toegelaten" /
"Toeriste word toegelaat om die land verlaat" = "Toeristen krijgen toestemming
om het land te verlaten"
toet
toetentaal
lang geleden
geheel en al (spreek uit als "toet-en-taal")
toetsen, testen, uitproberen
toets - ww
Opm.: in tegenstelling tot het Nederlandse toetsen heeft het Afrikaanse
werkwoord toets helemaal dezelfde betekenis als het Engelse werkwoord to
test aangenomen, en hebben we dus met een leenvertaling uit het Engels te
maken:
"Ek toets myself deur ou vraestelle deur te werk." = Ik test mijzelf door oude
proefwerken door te nemen.
"Sy is getoets vir MIV/VIGS en volgens die suster het die uitslag gewys dat sy
MIV-positief is." = Zij is getest op HIV/AIDS en volgens de verpleegster toonde
de uitslag aan dat zij HIV-positief is.
toets, test, testwedstrijd (cricket)
toets - zn
toiings - zn
tokkelossie, tokkelos,
tokkelosj - zn
toktokkie - zn, ww
tolbos - zn
toneel
toom - zn
Opm.: de betekenis van het Afrikaanse woord toets is dezelfde geworden als
die van het Engelse woord test, en hebben we dus met een leenvertaling uit
het Engels te maken:
"Suid-Afrika het dag een van die eerste toets teen Pakistan oorleef." = ZuidAfrika heeft dag een van de eerste testwedstrijd tegen Pakistan overleefd.
"Die dokter het self die diabetestoets gedoen." = De dokter heeft zelf de
diabetestest afgenomen.
aan flarden gescheurde kleren
kleine fabelfiguur die 's nachts je bed inkruipt om je te wurgen
zn kever die hoorbaar met het achterlijf op de grond klopt
(Dichtha spp. en Psammodes spp.);
ww belletje trekken
verzamelnaam voor soorten struikjes in droge streken, die van de
grond los geraken en rollend door de wind worden meegevoerd:
'tumbleweed'
toneel; plaats (v.e. misdrijf, gebeurtenis, ongeval)
De tweede betekenis, die van 'plaats van misdrijf, gebeurtenis, ongeval', duidt
op een semantische uitbreiding onder invloed van het Engels, dat ook in beide
betekenissen scene gebruikt. We hebben hier dus te maken met een Engelse
leenvertaling.
bit (deel v.h. hoofdstel voor in de bek v.e. paard)
toor - ww
toveren
toordery
toverij / tovenarij
medicijnman, traditionele genezer in Afrika
toordokter - zn
toornaar
toring - zn
torring - ww
tou opgooi - ww
toustaan - ww
touwys maak (iemand ~
maak)
Vgl. 'betower'
Vgl. 'sangoma'
tovenaar
toren; toorn
tergen, kwellen (aan iemand torring = iemand kwellen,
lastigvallen)
de moed laten zakken
in de rij staan
Vgl. Eng. 'to stand in line'
iemand wegwijs maken
storen, 'raken' (Dit traak my nie = het stoort mij niet - vgl. 'traakmy-nie-agtig' en 'traak-my-nie-agtigheid' en 'steur')
onverschillig, onvermurwbaar, (ten onrechte) onkwetsbaar;
traak-my-nie-agtig; traak-my- onverschilligheid, onvermurwbaarheid, de illusie dat je
nie-agtigheid
onkwetsbaar bent ("hierdie siniese man het 'n traak-my-nie-agtige
houding")
transformeren, omvormen
traak
transformeer
treffer
trek - ww
trek - zn
trekklavier - zn
trek op
troei!
(vooral m.b.t. het ontdoen van Zuid-Afrika van blanke symbolen, oude plaatsen straatnamen, het doorvoeren van 'positieve discriminatie' tegen blanken,
enz.).
Zie ook bij regstel en bemagtiging.
hit (muziek)
verhuizen (denk maar aan Die Groot Trek in 1838)
zone
accordeon
Vgl. 'konsertina'
op iemand lijken
terug! (tegen paarden, ossen)
Zie ook 'tru!' en 'hokaai'
troeteldier
tromme zn
huisdier (hond, kat, cavia, enz.)
drums
vrachtwagen
trok zn
Vgl. Eng. 'truck'
Vgl. 'lorrie'
tronk zn
tronkvoël zn
gevangenis, bajes, nor, lik
bajesklant
terug! (tegen paarden, ossen)
tru!
trurat
truspieël
tuimeldroër
Zie ook 'troei!' en 'hokaai
versnelling voor achteruit
in ~ = in z'n achteruit, op de achteruitstand
achteruitkijkspiegel
droogtrommel
Vgl. Eng. 'tumble drier'
tuinmaak
tuis
tuis gaan
tuiste zn
Tuk/Tukkie (mv.
Tuks/Tukkies)
twak
tweegatjakkals
tydperk
tuin aanleggen
thuis (bijw.)
logeren
Zie ook 'oorslaap' en 'loseer'
thuis, tehuis, onderkomen
student van de Universiteit van Pretoria
tabak; ook: nonsens
doortrapte meeprater
periode
Opm.: Wat in het Nederlands 'tijdperk' betekent, is in het Afrikaans 'era'. Het
Afrikaanse 'tydperk' kan ook, bijvoorbeeld, een tijdspanne van twee maanden
beslaan, en niet miljoenen jaren, zoals in het Nederlands. ("In die tydperk van
einde Mei tot einde Junie het ons reen gehad.")
(Vgl. 'era')
U
ui - zn
uintjie
ui
inheems bolgewasje dat vooral tussen het gras groeit (Moraea
spp.)
Het woord is verwant aan het Ned. woord ajuin, 'ui'.
uitdruk - zn
uitdruk - ww
uitduik - ww
uitgetel
uitgevat - bn
uithaleruithangplek - zn
uitdraai (v.e. printer)
uitdraaien, afdrukken (v.e. printer)
uit het water halen, opvissen, uit het water vissen, uit het water
redden
'Vir vanaand het ons vars krewe uitgeduik uit die see!' = 'Voor vanavond
hebben we verse kreeften uit zee opgevist!'
'Hulle het onsuksesvol geprobeer om die denkelinge uit te duik.' = 'Ze hebben
zonder succes geprobeerd de drenkelingen aan boord te brengen / aan wal te
brengen.'
moe, uitgeput
chique gekleed
voortreffelijk
"Jou dogter is sommer 'n uithalerstudent"
uitgaansgelegenheid
identificeren, herkennen
uitken - ww
'Hoe kan 'n mens giftige sampioene uitken?' = 'Hoe kun je giftige paddestoelen
identificeren / herkennen?'
uitklim - ww
uitlander - zn
uitlos - ww
uitoorlê - ww
uitrusters - zn
uitsaai - ww
uitsaaikorporasie - zn
uitsak (die reën sak uit) - ww
uitstappen; tegen (een berg) opklimmen; uitklimmen
buitenlander
met rust laten ('Los my uit!' 'Jy moet die vroumense uitlos')
overtroeven
kledingwinkel
uitzenden (radio/tv)
omroepstichting
het regent
uitstalkas - zn
uitstalling - zn
uittree - ww
vitrine, etalage
expositie, tentoonstelling
aftreden
uitdossen; met iemand uitgaan (café, restaurant)
uitvat - ww
'Ek vat my meisie uit vir 'n ete.' = 'Ik neem mijn vriendin uit eten.'
Opm.: Verbindingen met het werkwoord 'vat' gelden als een informele variant
van 'neem'. 'Ek neem my meisie uit vir 'n ete' klinkt dan ook iets sjieker.
uitvee - zn
uitvegen, schoonvegen, uitwissen; wissen, verwijderen (van data,
e-postberichten, enz.)
'uitvee' wordt een op een gebruikt met het Engelse werkwoord to erase.
uitveër
gummetje
uitveër is een leenvertaling van Eng. 'eraser'
V
vaak / vakerig
vaar
vadoek
valskerm
van
vandeesweek
vanieljegeursel - zn
slaperig
Opm.: In Nederland, Katwijk, is dit woord ook heel gebruikelijk om
er 'slaperig' mee uit te drukken. De algemeen-Nederlandse
betekenis van 'vaak' (dikwijls) moet in het Afrikaans met 'dikwels'
of 'baie' uitgedrukt worden (zie aldaar).
varen (ook: presteren "Hoe het die sokkerspan gevaar?")
Vgl. Eng. 'to fare'
theedoek
parachute
achternaam
deze week
vanille-essence
vanochtend, vanmorgen, deze ochtend ("Goeiemore! Hoe gaan
vanoggend (spr. 'va-oggend')
dit met jou vanoggend?")
vanselewe / vammelewe
van vroeger, lang geleden
varing
varen (zelfst.nw)
vark - zn
varken
varkie - zn
big, biggetje
varkoor/varkblom
aronskelkachtige (< varkensoor); Zantedeschia aethopica
varktjop
varkenskarbonade
varkvleis
varkensvlees
vers, fris; jofel (vooral in ontkenningen: "nie 'n vars plek nie" = niet
vars
een jofele plek)
vas
stevig, vast, snel
vasbrand
vastlopen
vasbyt - ww
Volhouden, doorzetten, zich vastbijten (in iets)
vasgevang
gevangen
vaskeer
iem. in het nauw drijven, klemrijden
vassteek (in die modder-)
vast blijven zitten; ook vastmaken (met spelden)
vastrap
snelle dans bij Boeremusiek
vastrapplek
steunpunt
vasval
vasvat
vasvrawedstryd
vat - ww
vatlappie
vatterig
vee / veeg - ww
veër
vel
vellies - zn
veldfliek
veldtog
veloorplanting
velskoene
in de modder vastzitten
stevig vasthouden
quiz
pakken, nemen, vatten, snappen/begrijpen
pannenlap
handtastelijk, plakkerig, te aanhalig
vegen
Vgl. 'uitvee'
bezem
huid
Opm.: Het Afrikaanse woord 'huid' betekent in het Nederlands
alleen gevilde dierenhuid
Vgl. 'huid' en ' kopvel'
leren, effen schoenen met zachte zolen
(zie ook velskoene)
bioscoop in de open lucht (vgl. inryteater)
veldtocht; campagne
"Ondersteun ons verkiesingsveldtog!"
huistransplatatie
leren, effen schoenen met zachte zolen
(zie ook vellies)
hypotheek
verband ('n ~ op jou huis)
Opm.: deze Zuid-Afrikaanse betekenis van 'verband' heeft een equivalent in
het Zuid-Afrikaans Engelse 'bond', dat ook hypotheek betekent. Elders in de
wereld zegt men 'mortgage'. Dit is typisch Zuid-Afrikaans.
verbandkoers
verbruiker
hyptheekrente
consument
consumenten-
verbruikers-
verbruikersregte = consumentenrechten
verbruikersvriendelik = consumentvriendelijk
verbruikerswenke = consumententips
verbypad
snelweg om een stad
passeren, inhalen (in het verkeer)
verbysteek
Opm.: op tweebaanswegen ziet men op verkeersborden staan:
Hou links, steek regs verby / Keep left, pass right
jou vererg (verêre) - ww
vergasser
vergek; vergek hou
verhoog
verhoogvrees/plankevrees
verkeerskonstabel
verkeerswisselaar
verkies
verklaring
verkleurmannetjie
zich ergeren
carburateur
voor de gek houden
toneel, podium
plankenkoorts
verkeersagent
knooppunt
prefereren, liever hebben
aangifte doen bij de politie
kameleon
verknorsing
verkoeler
verkoopsbestuurder
verkoopsdame
verkwalik - ww
verkyker
verlaas
verlangs - bn, bw
moeilijkheid
radiateur
salesmanager
verkoopster
iemand iets kwalijk nemen, de schuld geven
Vgl. 'blameer'
verrekijker (het Afrikaans kent dus niet dat nep-Zuid-Afrikaanse
woord 'loerpypie'!)
voor het laatst
ver (inz. verre familie); via-via
Als bijvoeglijk naamwoord: "Paul Kruger is verlangse familie van my"
Als bijwoord: "Verlangs het ek hierdie nuus gehoor"
verleden, vorige
verlede - bn
"Verlede week het hy tot daardie gevolgtrekking gekom" = "Vorige week kwam
hij tot die conclusie".
verleë
vermaaklikheid
in verlegenheid gebracht
amusement
vermanend spreken
vermaan
" 'Moenie dit sê nie!', vermaan sy hom" = "'Je mag dat niet zeggen!', zei ze
hem vermanend"
vermeer, vomeer - ww
braken
vermoë
vermogen
verneuk (gemeenz.)
bedriegen
gratis, vergeefs, tevergeefs
verniet - bn
Dis verniet vir jou = 'Voor jou is het gratis'
Was al julle swaarkry dan verniet? Dit kon tog nie verniet gewees het nie! =
'Hebt gij zoveel tevergeefs geleden? Indien maar ook tevergeefs!' (Galaten 3:4)
verpes
Vgl. 'opgooi', 'vomeer'
dravermoë = draagvermogen
verachten
("Ek verpes leuenaars" = "ik veracht leugenaars"
Vgl. 'bederf'.
verrinneweer
verwoesten
vers
versiersuiker
verskoon my asseblief
verslankingskuur
vaars
poedersuiker
excuseert U mij alstublieft
vermageringskuur
gek, belachelijk, lichtzinnig, melig
verspot
Vgl. rinneweer
Vgl. mallerig, mal, katools
verspreiding, distributie
verspreiding - zn
("Die verspreidingsnetwerke in Afrika is verbeter" = "De distributienetwerken in
Afrika zijn verbeterd")
verstaan
verstaan; ook: begrijpen
verbergen, verstoppen
versteek
Opm.: Dit woord wordt, met 'wegsteek', gebruikt waar men in het Nederlands
gewoonlijk 'verstoppen' zou zeggen:
"Hy het 'n mes in sy tasse versteek, maar die doeane het dit nie opgemerk nie"
= "Hij had een mes in zijn koffers verstopt, maar de douane had het niet
opgemerkt"
"Die huis is versteek agter digte struike en bome"
Vlg. 'wegsteek', 'wegkruipertjie', 'verstop'
dichtstoppen, dichtslibben, dichtgeraken, verstoppen
verstop
vertikale blindings
vertoonkamer
verversings
vervies (jou ~ oor)
verwysingsraamwerk
vet (bijv. nw.)
vet - zn
vetkoek
Opm.: Dit woord wordt, uitsluitend in de zin van 'de doorgang verstoppen'
gebruikt, en heeft dus niets met 'verbergen, wegsteken' te maken. :
"Die buis is verstop met dik olie"
"Almal se dreine sal verstop raak" = "De waterafvoerbuizen van iedereen
zullen verstopt raken"
Vlg. 'versteek', 'wegsteek', 'wegkruipertjie'
lamellen
showroom
versnaperingen, voedsel
kwaad worden over, zich zeer ergeren aan (vgl. vererg)
referentiekader
dik (van mensen)
vet
traditioneel gerecht van hompjes deeg uit tarwemeel, water, gist
en zout, gefrituurd in olie en dikwijls doormidden gesneden en
gevuld met kerriegehakt of iets anders hartigs.
Het is vrijwel hetzelfde als (hartige) oliebollen.
Vgl. 'koeksister'
vetterig
vierrigtingstop
vierspoedratkas
vies - bn
vettig, vet (ook van haar)
kruising zonder voorrang
vier versnellingen hebbende versnellingsbak
kwaad
vies, vuil; afkeurenswaardig, walgelijk
vieslik - bn
Ek hou rêrig nie van vieslike grappe nie.
Dit is vieslik om iemand te ontslaan omdat hy vet is.
vigs
aids
(verworwe
Vgl. MIV
immuniteitsgebreksindroom)
vingeralleen
moederziel alleen
koud of warm buffet
vingerete
Vgl. Eng. 'finger food'
vinnig
vir
snel
voor; tegen, naar, om, aan, 'voorwerpswoord'
Opm.: Vir wordt veel meer gebruikt dan het Nederlandse 'voor', omdat het
meer betekenissen heeft. Hier komt de verklaring:
voor: "Hierdie koppie koffie is vir oupa" = Dit kopje koffie is voor opa"
tegen: "Moenie vir my lieg nie" = "Je moet niet tegen mij liegen"
tegen: "Jy kan dit maar vir my sê, hoor" = "Tegen mij kun je het zeggen, hoor"
naar: "Ek geniet dit so om om vir jou te kyk" = "Ik geniet er zo van om naar jou
te kijken"
naar: "Nou moet jy mooi vir my luister, boetie!" = "Luister jij eens goed naar
mij, jochie!"
om: "Lekker lag ek nou vir jou aksent" = "Ik moet zo om jouw accent lachen"
aan: "Gee dit asseblief vir my, en nie vir hom nie" = "Geef het alsjeblieft aan
mij, en niet aan hem" (bij benadrukking van de meewerkende voorwerpen)
aan: "Ek het dit mos vir hom gesê" = "Ik heb het nog aan hem gezegd"
niet altijd vertaalbaar, bij meewerkend voorwerp: "Gee gou-gou vir my die
biltongmessie" = "Geef (aan) mij gauw het biltongmesje"
niet altijd vertaalbaar, bij meewerkend voorwerp: "Ek het vir hulle gevra of
ons skoon komberse kan kry" = "Ik heb (aan hen) hun gevraagd of we schone
dekens kunnen krijgen"
niet vertaalbaar, bij lijdend voorwerp: "Ken jy vir Christo?" = "Ken jij
Christo?"
niet vertaalbaar, bij lijdend voorwerp: "Moenie vir my slaan nie, dit was nie
ek nie" = "Je moet mij niet slaan, ik was het niet"
Deze laatste, in het Nederlands onvertaalbare betekenis vindt zijn oorsprong
waarschijnlijk in het Maleis-Portugees uit de begindagen van het Kaapse
Hollands, dat later tot het Afrikaans zou uitgroeien.
Voor de leerder van het Afrikaans is het handig te weten dat je de
onvertaalbare vir bij een lijdend voorwerp meer moet invoegen, naar mate er
meer sprake is van een lijdend voorwerp. Bijvoorbeeld: "Ken jy vir Mandela?"
kun je vertalen met: "Ken je Mandela persoonlijk?", terwijl "Ken jy Mandela?"
eerder op te vatten is als: "Ben je bekend met Mandela?"
In het Roemeens vindt men een soortgelijk syntactisch gebruik van een
voorzetsel dat zijn eigen betekenis verliest omdat het gebruikt wordt voor het
versterken van een persoon als lijdend voorwerp. Om een persoon in de
accusatief te benadrukken, plaatst men er pe (dit betekent eigenlijk 'op') voor:
"David l-a ucis pe Goliat" = "David heeft Goliath gedood" Dit is vergelijkbaar
met de Afrikaanse zin "David het vir Goliat doodgemaak"
vir oulaas
visenteer
voor 't laatst, nog even dan
fouilleren
vlag - vlaggen
vlag - vlae
Opm.: de Afrikaanse meervoudsvorm met de lange 'a' komt overeen met de
Hollandse meervoudsvorm 'vlagen')
vlakvark
vlei
vlerk
vleuel
vliegies
vliegtuig ry
vloed zn
vloer
vloerlap
wrattenzwijn (inheemse, grofgebouwde zwijnachtige met
wratachtige uitsteeksels aan schedel en slagtanden;
Phacochoerus aethiopicus)
(vgl. 'bosvark')
moerassig gebied
vleugel
vleugel (alleen van gebouwen of groeperingen)
kleine vliegjes
in het vliegtuig zitten (vliegen)
overstroming
"Verlede jaar se vloede het 254 lewens geëis"
Opm.: Op het eerste gezicht lijkt dit gebruik van vloed op een letterlijke
vertaling uit het Engels. Echter, in het Nederlands kennen we dit ook. Men
denke aan de Sint-Elisabethsvloed in 1421.
De meervoudsvorm vloede, zoals in het voorbeeld aangegeven, zou
daarentegen wel kunnen duiden op een Engelse invloed.
vlugvoos - bn
verdieping, vloer
dweil
een jetlag hebbend
vlugvoosheid - zn
jetlag
Vgl. voos, vlugvoosheid, vuisvoos
Vgl. voos, vlugvoos, vuisvoos
voël
voëlblom, kraanvoëlblom
voertsek!
voet: jou ~ !, se ~!
vogel (ook in de 'edele-delen' betekenis)
Strelitzia reginae: paradijsvogelbloem
ga weg! (< 'voort zeg ik')
ben je gek/mal!, wat nou ~!, mooi niet!; ook: "Jy is verspot! Jy is
mal!"
voetjie-voetjie - bijw.
voetjie-voetjie: ~ speel - ww
voetoorgang
voetslaanpad
voetje voor voetje, stapje voor stapje
voetje vrijen (onder de tafel)
zebrapad
wandelroute
voggies (gemeenz.)
Volksraad - zn
volstruis - zn
voltyds
volvloermatte
vomeer, vermeer - ww
vonkelwyn
vonkprop
voor
voor
voorkeer
voorkom - ww
(klemtoon op voor-)
voorkoms - zn
voorskrif
voorskoot
voorstad
voorste
voorstedelike trein
"Tshwane se voet!" = Wat nou Tshwane!, "Vakansie? Jou voet!" = Vakantie?
Mooi niet! / Vakantie? Ben je gek!
borrel, neut, drankje
Vgl. 'dop', 'regmakertjie' en 'sopie'
Dit woord is een typisch voorbeeld van een eufemistisch gebruik van een
woord voor iets dat als ongezond gezien wordt. Het gaat dan ook meestal om
sterke, gedistilleerde drank. 'Vochtjes' zou de betekenis van dit wat
omslachtige, ondeugende woord zijn. Taboewoordvorming heeft hier z'n werk
parlement van verschillende voormalige Zuid-Afrikaanse staten
Men had de Volksraad van de Zuid-Afrikaansche Republiek, Volksraad van de
Oranje-Vrystaat, Volksraad van de Unie van Zuid-Afrika, enz.
struisvogel
(ouder Nederlands vogelstruys > vroeg Afrikaans voëlstruis* > modern
Afrikaans volstruis)
full time
vaste vloerbedekking
braken
Vgl. 'opgooi', 'vomeer'
mousserende wijn, zoals champagne, op de Mithode Champenoise gebrouwen
bougie
Vgl. Eng. 'spark plug'
voor, vóór
Opm.: voor is het tegenovergestelde van na en agter. Het Nederlandse woord
voor wordt, in andere betekenissen, meestal vertaald met vir. Zie aldaar.
sloot
tegenhouden
overkomen, lijken, de indruk wekken
Opm. Aangezien het Afrikaanse werkoord 'lyk' reeds de betekenissen van het
Nederlandse 'er uitzien, lijken op', heeft 'voorkom' de betekenis die wij aan
Ned. 'lijken' toekennen'.
"Sy opmerkings kom ondeurdag voor, maar hulle is nie" = "Zijn opmerkingen
komen ondoordacht over / lijken ondoordacht, maar zijn het niet"
uiterlijk
(dokters) recept
schort
buitenwijk
vooraanstaande, beste
"Kader Asmal was een van die ANC se voorste intellektuele reuse"
trein naar de buitenwijken
verder, voort; voort-, verder- door-
voort; voortOpm.: het woord wordt vaker gebruikt en de betekenis is er breder dan in het
voos - bn
vorentoe
vorm, vorms (meervoudsvorm)
vort
vraat - zn
vrek - ww
vrekte
vries
vroetel
vrot
vrotsig
vrug
vrugte
vrugteboord
vrugtekelkie
vry - ww
vryf, vrywe - ww
vrykamer
vryskutjoernalis
vryspring
vuil
vuilgoed
vuilis
Nederlands. Dit komt doordat het Afrikaanse 'verder' meer 'daarnaast',
'overigens' en de vergrotende trap van 'ver' betekent. Gebruik 'voort-' ook in
verbindingen waar wij 'verder-' of 'door-' zouden gebruiken: "Doen so voort!" =
Ga zo verder! (compliment) / "Ek gaan voort met my werk" = Ik ga door met
mijn werk / "Die finansiële verknorsing duur voort" = De financiële problemen
duren voort)
(Vgl. 'vort')
zacht, zonder sap (van vruchten); slap, futloos
Vgl. vlugvoos, vlugvoosheid, vuisvoos
vooruit, naar voren, goede vorderingen makend; in de toekomst
vorm, vormen (mv.) / formulier, formulieren (mv.)
ervandoor; ~ wees met = ervandoor zijn met
("Nou is die dief vort met my motor!" / "En dan is dit weer vort." = En dan
moeten we er weer vandoor. / "In Augustus is ek vort Port Elizabeth toe.")
(Vgl. 'voort', 'waai')
veelvraat (roofdiersoort); veelvraat (gulzige persoon)
doodgaan (van dieren en planten)
Hoewel vrek afgeleid is van Nl. verrekken, moet de verledentijdsvorm met gegevormd worden:
"Ek was uitgeboer toe meeste van my vee en gewasse gevrek het".
sterfte (onder dieren) "Daar is vrekte onder my beeste"
vriezen
wroeten
(ver)rot; slecht
naar ('n vrotsige kêrel)
vrucht
fruit, vruchten
boomgaard
fruitcocktail
iem. het hof maken, flirten
Opm.: ook in het Nederlands betekende 'vrijen' - evenals nu in het Afrikaans 'iemand het hof maken'. Op een gegeven moment werd 'vrijen' eufemistisch
aangewend in de betekenis van 'geslachtsgemeenschap hebben'. Nu is 'vrijen'
een gewoon synoniem daarvoor geworden en leeft de oude betekenis vooral
voort in het zelfst. nw. 'vrijer', dat 'gegadigde' of zelfs, schertsend, 'geliefde'
betekent.
Waarskuwing vir Afrikaanssprekendes: in Nederlands beteken 'vrijen' deesdae
geslagsgemeenskap hê. Indien jy die Afr. betekenis van om te vry wil benader,
sê liewers 'iemand het hof maken' of 'flirten'.
aaien, wrijven
Opm.: het Afrikaans kent ook het werkwoord aai, maar is tegenwoordig weinig
gebruikelijk. Daarnaast betekent het iets anders, namelijk 'zachtjes strelen'.
Aaien, wat minder zachtjes maar toch liefkozend is, moet derhalve vertaald
worden met vryf.
"Hy vryf sy meisie se blonde koppie." "Sy het die straathond gevryf waarna sy
stert entoesiasties begin kwispel. Ai, die arme ding."
logeerkamer
freelance-journalist
ontkomen aan
vies, vuil
de vuile was
vullis, schorem, uitschot, persoon / personen van laag allooi
vuisvoos - bn
vul
vullis
vulstasie, petrolstasie
vurk
vuurhoutjie
vuuryster
vyg, vy mv. vye
Wat in het Nederlands vuilnis is, d.w.z. 'afval', is vullis in het Afrikaans (zie
aldaar).
Vgl. 'vullis' en 'afval'.
moegestreden, murw (van het strijden, protesteren)
"Vuisvoos gebruikers" = moegestreden consumenten Vgl. voos, vlugvoos,
vlugvoosheid
veulen
vuilnis
Wat in het Nederlands vullis is, d.w.z. 'schorem', 'uitschot', 'persoon van laag
allooi', is vuilis in het Afrikaans (zie aldaar).
Vgl. 'vuilis' en 'afval'.
tankstation
Vgl. Eng. 'filling station'
vork
lucifer
pook
vijg, vijgen mv.
Vyg is de gewone, bekende, eetbare vijg (Ficus). Vygie en vy, daarentegen,
zijn verzamelnamen voor de talrijke vetplanten die tot de familie der Aizoaceae
[voormalige Mesembryanthemaceae] behoren en straalbloemen hebben. Denk
bijvoorbeeld aan de hottentotvijg = hotnotsvy of suurvy)
W
wa
waai
waai (gaan ~ )
waaier
waarborg
waatlemoen
waffers (nie ~ nie)
wag-'n-bietjiebos - zn
walgooi (teen iets ~)
wapenlisensie
warmerig
warmfles
wasgoeddraad
wasgoedpennetjie
waterblommetjie
waterblommetjiebredie
watwonders
weduwee
weeksdag
weens
wegkruipertjie - ~ speel
wegneemetes
wegskram (vir iets)
wagen
waaien, zwaaien (met hand)
weggaan, vertrekken
("Ek gaan nou waai!" = Ik ga nu weg!)
(Vgl. 'vort')
ventilator
garantie
watermeloen (vgl. spanspek)
niet erg mooi
boom met haakvormige doornen (als men erlangs loopt, blijft men haken;
a.h.w. 'wachten')
proberen tegen te houden
vuurwapenvergunning
nogal warm
thermosfles
waslijn
wasknijper
Kaapse waterlelie, wateraar (Aponogeton distachyos)
Het plantje drijft op het water en draagt mooie, witte aartjes als bloeiwijze)
traditionele stoofpot bereid uit de Kaapse waterlelie (Aponogeton distachyos)
buitengewoon ('n watwonderse kêrel)
weduwe
doordeweekse dag, werkdag
Vgl. Eng. 'week day'
wegens
verstoppertje spelen
Vlg. 'versteek', 'wegsteek', 'verstop'
take-away-dinner, eten om mee te nemen
terugdeinzen
wegsteek
welsand, willesand
wen
werf
werk
werk / werke
werskaf - ww
wewenaar
wildebees
wil-wil - ww
wildehond
wildsplaas - zn
win
wingerd
wingerdstok
winskopie
wisselaar
witblits
witgatboom
witseerkeel
wittebrood - zn
woema
wonder (ww)
wonderlik
woonstel
woonstelblok
woonwa
woonwapark
woordverwerker
worg - zn
worries
worsrolletjie
wraggies
verbergen, wegsteken, verstoppen
Opm.: 'verstop' heeft in het Afrikaans een andere betekenis (zie aldaar).
Vlg. 'versteek', 'verstop', 'wegkruipertjie'
drijfzand
winnen (spel), verslaan
erf, werkplaats bouwplaats ("bouwerf")
werk
werk; baan / banen (dus: 'Ek het geen werk nie')
druk bezig zijn
("Ek het die hele dag in die kombuis gewerskaf", "Ons woel en werskaf so om
voor sewe uur klaar te wees")
weduwnaar
gnoe
aarzelend willen
("Die son wil-wil deurkom, maar die winter is nog nie verby nie")
jakhalshond
Afrikaans safaripark, vaak met hotelvoorzieningen, waar men georganiseerd
op inheemse dieren kan jagen
(in)winnen, iets op iemand overwinnen
wijngaarde, druivenplant
wijnstok
koopje, aanbieding
knooppunt (verkeer)
Vgl. Eng. 'interchange'
gedistilleerde (60%) Boeren-kruidendrank (vgl. mampoer
boomsoort met gele onderkant (Boscia albitrunca)
difterie
huwelijksreis, wittebroodsweken
Ons was op wittebrood in Mauritius. Dit was heerlik. = Wij waren op
huwelijksreis in Mauritius. Het was heerlijk.)
kracht, pit, energie
"Hy is 'n man vol = Hij is een man vol pit." "Watter bier wil jy hê? Die een met
woema? Hy het 9 persent alkohol." = Welk bier wil jij? De een met pit? Die
heeft 9 procent alcohol."
zich afvragen
(Ek wonder wat gaan aan = Ik vraag me af wat er aan de hand is)
fantastisch, geweldig
flat, appartement
flatgebouw
caravan
Vgl. 'karavaan'
camping
tekstverwerker
wurgen / worgen
zorgen, problemen
Dit woord is niet officieel en beperkt zich tot jongerentaal en slang
broodje worst
Vgl. Eng. 'sausage roll'
heus, echt, waarachtig, warempel
(Maar wraggies, my vriend, julle gaan swaarkry" = "Maar echt, mijn vriend,
jullie gaan het zwaar krijgen"
wurm, wurms
wyfiekat
wyfieleeu
wys
worm, wormen
poes, vrouwtjeskat
leeuwin
(ww) laten zien, (ver-)tonen
("Ek sal jou 'n bietjie wys hoe om dit te doen" = "Ik zal je even laten zien hoe je
het moet doen"
"Ons nuwe televisiestasie sal net kinderprogramme wys" = Onze nieuwe
televisieomroep zal alleen maar kinderprogramma's vertonen")
wyster, wyser
Opm.: Het heeft er alle schijn van dat wys semantisch gezien de
eigenschappen van het Engelse werkwoord to show heeft aangenomen, en dat
we dus met een anglicisme te maken hebben.
wijzer (op een klok)
X
X-strale
röntgenstralen
Y
yskas
ys
yslik
Ystergarde
ystervark
ystervarkpatat
koelkast
(zn) ijs; (ww) vriezen
(bijv. nw.) enorm, vreselijk groot
IJzergarde
Paramilitaire tak van de Afrikaner Weerstandsbeweging (AWB). Waarschijnlijk
vernoemd naar de gelijknamige IJzergarde (Garda de Fier) in het Roemenië
van het interbellum
stekelvarken
klimplant die verwant is aan en gelijkt op de heggerank
Kedostris nana van de komkommerfamilie Cucurtibaceae) uit de provincie
Oost-Kaap. Tweehuizig, groene bloemetjes, vlezig blad, rankende stengels,
dikke wortelknol
Z
zebrastrepe
ziets - ww
zol
zebrapad
onverwachts steken (zoals een insect doet)
joint, stickie (drugs)
("Fanie, ons moet gesels. Daai is nie die ruik van braaikruie nie. Ek kén die ruik
van 'n zol."= "Fanie, we moeten praten. Dat is niet de geur van
barbecuekruiden. Ik kén de geur van een joint.")
Vgl. 'dagga', 'boom' en 'skyf'
Voorschoten, Marcel Bas
Online gezet op 4 november 2002 - uitgebreid op 21 november 2015

Vergelijkbare documenten